Nog een overdaad

'De televisiebeelden waren walgelijk. Dat de wereldmachten door zo'n bandietenbende op de knieën konden worden gedwongen vond ik onbegrijpelijk.' Dat schrijft Richard Holbrooke in zijn boek To End a War. Het is eind mei 1995. Als antwoord op een paar bescheiden luchtaanvallen van de NAVO op de Bosnische Serviërs hebben leider Karadzic en zijn veldheer Mladic 350 Franse soldaten van de Verenigde Naties in gijzeling genomen, hen aan lantarenpalen, brugleuningen enz. geketend, en door de televisie laten filmen.

Secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali en zijn speciale afgezant Akashi laten zich door de Serviërs imponeren. Voortzetting van de luchtaanvallen wordt steeds onwaarschijnlijker. De Britten en Fransen beginnen de moed te verliezen. Voor het eerst wordt serieus gepraat over de uitvoering van het zeer geheime OpPlan 40-104: de evacuatie van alle strijdkrachten van de VN onder bescherming van 20.000 Amerikaanse soldaten.

President Chirac, op bezoek in Washington, dringt bij Clinton onder vier ogen aan op Amerikaanse actie. Later spreekt hij nog met Dole en Gingrich. Maar, schrijft Holbrooke, 'hoewel de gesprekken vriendschappelijk waren, veranderde er niets.' Chirac vertrekt. In het Witte Huis begint het diner. 'De president en de First Lady dansten eerst op de muziek van een marineorkestje. Toen kwamen ze naar ons (Holbrooke en minister Christopher) toe. Hoe staat het met Bosnië? vroeg de president.' In het vervolg van Holbrooke's verslag blijkt dan dat de machtigste man van de wereld de kwestie nog niet goed had begrepen.

Intussen zetten de Serviërs hun aanvallen en intimidatie met groot succes voort. En dan komt Srebrenica, 'de grootste massamoord in Europa na de Tweede Wereldoorlog.' Holbrooke noteert: 'Er zat geen energie meer in de internationale gemeenschap.' Vooraan in het verzet tegen luchtaanvallen stond de Nederlandse regering. Pogingen van de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag om daarin verandering te brengen, waren vergeefs. Parijs en Londen waren ook tegen. En nu hoort Srebrenica in de opsomming samen met Lidice, Oradour, Babi Yar en Katyn.

Het mag merkwaardig klinken, maar drie jaar geleden was de stemming in Nederland bepaald niet uitgesproken anti-Servisch. Overste (nu kolonel) Karremans was niet de enige die de good guys en de bad guys tot één pot nat terugbracht. In vraaggesprekken kon men horen en lezen dat de moslims 'laf' waren, of een 'zootje ongeregeld' en dat ze hun positie van underdog probeerden uit te buiten. Zelfs werd geopperd dat ze, om de 'internationale gemeenschap' voor zich te winnen, het reclamebureau Saatchi & Saatchi in de arm hadden genomen. De historicus Ed Ribbink is het eens met de Amerikaanse journalist David Rohde: 'De leiding van Dutchbat was pro-Servisch', schrijft hij. (NRC Handelsblad, 17 augustus). In ieder geval was er een duidelijke stroming die het eens was met de sterkste partij. Een overdaad aan nederig respect. Het komt meer voor.

Terwijl in Nederland aldus de verhoudingen werden genuanceerd, viel Srebrenica en keerde Dutchbat terug in de veilige wereld. Geen wonder dat opluchting en vreugde nationaal waren. De kroonprins, de minister-president en de Kamercommissie van Defensie gingen naar Zagreb om de soldaten te verwelkomen. Toen is er iets gebeurd wat ons Nederlanders wel meer overkomt. Vreugde en blijdschap over de betrekkelijk goede afloop ontwikkelden zich tot een opgetogenheid grenzend aan een overwinningsroes. De leden van Dutchbat kregen zonder aanzien des persoons de allure van helden. Een overdaad aan geestdrift.

Daarna is de twijfel gekomen, het gehannes met de filmrolletjes, verklaringen die niet in de debriefing waren opgenomen, een 'managementrapport' en televisiegesprekken met vier leden van Dutchbat die niets heldhaftigs te melden hadden. Autoriteiten die drie jaar geleden hun vreugde niet op konden, zijn nu geschokt. De nieuwe minister van Defensie wil een eigen onderzoek en vraagt daarvoor in eerste instantie de verkeerde deskundige. De Kamer wil een eigen onderzoek. Het RIOD dat al twee jaar met een eigen onderzoek bezig is, voelt zich, zoals de directeur, prof.dr. J.H.C. Blom, in de Volkskrant zegt, door 'de politiek lelijk in de wielen gereden.'

Het lijkt me geen wonder dat hij dit vindt. 'Srebrenica' - het drama, de verwarring, de verantwoordelijkheden, de schuld van de een en de moed van de ander - is een hoofdstuk in de vaderlandse geschiedenis. Het verdient zo onbarmhartig mogelijk te worden opgeschreven. Het is ook een hoofdstuk in het leven van zeker drie generaties die men niet tot geduld kan manen als er 'nieuwe feiten boven water komen' of oude feiten in nieuw verband worden geplaatst. Dan wordt de wetenschap door het nieuws en de politiek ingehaald.

Vorige week heb ik een vergelijking gemaakt met de Nederlandse oorlog in Indonesië die we nog graag 'de Indonesische kwestie' noemen. Twintig jaar na de soevereiniteitsoverdracht is voor het eerst officieel onderzoek gedaan naar Nederlandse 'excessen'. Ook toen had het nieuws de wetenschap ingehaald. Het was alsof de Nederlandse aanwezigheid daar kon worden teruggebracht tot de 'excessen'; alsof er geen veel groter, historisch complex was waarbinnen ook oorlogsmisdaden waren begaan: het complex dat de laatste fase van onze koloniale geschiedenis is. Dit verhinderde de publieke opinie niet zich op de onthullingen van 1969 te concentreren. Terecht of ten onrechte, maar zo werkt de publieke opinie. Nader onderzoek heeft de geschiedschrijving niet overbodig gemaakt maar geholpen. Later is meer duidelijk geworden over wat de beleidsmakers destijds heeft bewogen, en wat ze er nog weer later zelf van dachten. Om een voorbeeld te noemen: in de biografie van Lambert Giebels over Beel lezen we hoe hij aan zijn sterfbed de schimmen der gesneuvelden zag verschijnen.

Zoals toen zijn er ook nu graden en soorten van verantwoordelijkheid. De politieke beleidsmakers dragen de hoogste verantwoordelijkheid voor de strijdkrachten, wat pas goed duidelijk wordt als legereenheden in een oorlogssituatie worden gebracht. Daarna dragen de commandanten ter plaatste de verantwoordelijkheid voor het moreel van de troep, het gedrag, de 'houding'. Dat ontlast de soldaat niet van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Alle soorten verantwoordelijkheid zijn met elkaar verbonden. Daden en nalatigheden van toen kunnen tenslotte niet worden losgemaakt uit het politieke beleid en de internationale context.

Het debat van de afgelopen weken draait plotseling om allerlei persoonlijk gedrag en om de vraag hoe en waarom dat buiten de publieke aandacht bleef. Waarom nu? Dat is het raadsel van de zichzelf voortzettende publiciteit. Maar wat is ertegen als daarmee meer vragen worden beantwoord? De aanzet is door NOVA gegeven. Intussen is de heer Van Kemenade op verzoek van minister De Grave met een onderzoek begonnen en gaat het openbaar ministerie zich opnieuw in de zaak verdiepen. Hierna ook nog een onderzoek van de Kamer? Die had er eerder mee moeten komen. Binnen een week heeft ze zich het initiatief laten ontnemen. Nu wordt het publiek verpletterd door onderzoeksijver. Het RIOD heeft gelijk: daar dreigt een warboel.

Als de heer Van Kemenade en de zijnen zich met mislukte foto's en verdwenen verklaringen bezighouden, en het OM onderzoekt de beschuldigingen tegen personen, dan is daarmee hun reikwijdte gegeven. Wat zij ontdekken kan politieke en mogelijk strafrechtelijke gevolgen hebben, en verder het inzicht in het geheel dienen. Maar in de finesse van het grote complex, in het internationale drama kunnen zij zich niet verdiepen. Een beperkt onderzoek waarvan de grenzen goed zijn omschreven hoeft het RIOD niet in de wielen te rijden. De rest is late overdaad aan ijver; op zichzelf weer een historisch feit.