Harrison Ford

In een reeks profielen van gezichtsbepalende sterren deze week Harrison Ford, de avonturier die in Six Days, Seven Nights met een vliegtuigje speelt.

Het imago van Harrison Ford (Chicago, 13 juli 1942) als ironische ruwe bolster met een schimmig verleden werd nog eens versterkt door de aanvullende scènes in de vorig jaar uitgebrachte complete editie van Star Wars. Daarin bleek Han Solo, interplanetair huurling die zich langzaam engageert voor de goede zaak, een oude bekende van de louche zakenman Yabba the Hutt. Ook in die andere trilogie van producent George Lucas waarmee Ford zijn naam als superster vestigde, doet de wereldwijsheid van avonturier-archeoloog Indiana Jones ruime ervaring met de zelfkant vermoeden.

De wat brave, vaderlijke rollen die Fords latere carrière kenmerken - een dappere invalide in Regarding Henry, de Ierse huisvader die per ongeluk terrorist Brad Pitt onderdak geeft in The Devil's Own, de eigenhandig vliegtuigkapers uitschakelende Amerikaanse president in Air Force One - staan dichter bij de biografische achtergrond van Ford. De zoon van een Ierse vader en een Russisch-joodse moeder werd gepest op de middelbare school en overwon zijn verlegenheid door toneel te spelen. In 1964 gooide hij kruis (New York) of munt (Hollywood); het werd kruis, maar hij gooide opnieuw, want hij hield niet van de kou. Twee jaar later debuteerde Ford, als een van de laatste contractspelers van Columbia, als piccolo in Dead Heat on a Merry Go-round. Zijn filmcarrière leek op weinig meer uit te draaien, maar Ford had wel succes als timmerman van de sterren. Hij verbouwde de garage van musicus Sergio Mendes tot studio en werkte aan een poortje voor het kantoor van Francis Ford Coppola. Een andere cliënt, producent Fred Roos, hielp hem aan een rol in Lucas' American Graffiti (1973) en vanaf dat moment ging het bergopwaarts.

Ford mag dan nu achthonderd hectaren in Wyoming bezitten en daar voor boer spelen, in de wildernis blijft hij een handige stadsjongen. Dat is de kracht van Indiana Jones, maar ook de essentie van Fords twee gecompliceerdste filmpersonages, beide onder regie van de Australiër Peter Weir: de inspecteur die zich tot timmerman ontpopt in een Amish-dorp (Witness, Fords enige Oscarnominatie, 1985) en de geobsedeerde vader die zijn gezin in Centraal-Amerika naar de ondergang leidt in Mosquito Coast (1986).

In witte-boordenpersonages (Working Girl, Sabrina) krijgt Ford snel iets bleeks; het best komt hij tot z'n recht als zichzelf stoerder dan gerechtvaardigd voordoende mannetjesputter. In dat opzicht is de gedesillusioneerde piloot in Six Days, Seven Nights weer een ideale rol: neergestort op een onbewoond eiland met een stadse dame doet hij alsof hij hutten kan bouwen, en blijkt daar tot zijn eigen verbazing inderdaad toe in staat te zijn. De verlegen blik waarmee hij met een vinger omhoog wijst, wanneer zij vraagt of hij al 45 is, daar is niemand tegen bestand.

    • Hans Beerekamp