Ex-partijchef 'wist te veel'; Dubcek zou door KGB zijn vermoord

ROTTERDAM, 19 AUG. Alexander Dubcek, de Tsjechoslowaakse partijchef tijdens de Praagse Lente van 1968, is in 1992 niet omgekomen bij een 'gewoon' verkeersongeluk, maar is vermoord door agenten van de KGB.

Dat schrijft een Tsjechische jurist in een boek, dat in Praag verschijnt, juist nu de Tsjechen - op beperkte schaal overigens - herdenken hoe dertig jaar geleden de Sovjet-invasie een eind maakte aan Dubceks experiment met het 'socialisme met een menselijk gezicht'. Het Britse blad The Times schrijft vandaag over het nieuwe boek.

Dubcek werd na de Sovjet-invasie in 1969 weggezuiverd en tot zijn pensioen te werk gesteld bij staatsbosbeheer in Slowakije. Hij werd bij de 'fluwelen revolutie' van 1989 in ere hersteld en tot voorzitter gekozen van het Tsjechoslowaakse parlement. Hij verongelukte op 1 september 1992. Dubcek, die gold als belangrijkste kandidaat voor het presidentschap van Slowakije bij de 'fluwelen deling' van Tsjechoslowakije, stierf na twee maanden aan zijn verwondingen.

Volgens auteur Liboslav Lekša was het evenwel geen ongeluk, maar werd Dubcek vermoord: hij zou kort daarop in Moskou getuigen over criminele acties van de KGB, de Sovjet-geheime dienst. Omdat Dubcek gevaarlijk was voor de KGB en de Tsjechoslowaakse geheime politie, werd hij volgens Lekša uit de weg geruimd.

Lekša zet in zijn boek een aantal vraagtekens rond de dood van Dubcek op een rij. De auto waarin hij zat toen die uit de bocht vloog, verdween kort na het ongeluk spoorloos. Ook zijn aktentas, waarin documenten zaten over de hearings in Moskou, verdween om nooit meer boven water te komen. Dubceks chauffeur, Jan Reznik, werd veroordeeld wegens roekeloos rijden, maar kreeg gratie voordat hij aan het uitzitten van zijn straf begon. Lekša heeft ontdekt dat Reznik een jaar eerder betrokken was bij de verdwijning van honderden dossiers van de Tsjechoslowaakse geheime dienst.

Na het ongeluk werd al gerept van een aanslag, maar een onderzoek heeft niets opgeleverd.

Op dezelfde dag waarop Dubcek verongelukte, 1 september 1992, werd in Warschau de Poolse ex-premier Piotr Jaroszewicz in zijn woning vermoord, samen met zijn vrouw. Hij had met Dubcek gemeen dat ook hij kort daarop in Moskou zou getuigen over de criminele KGB-activiteiten.

De Poolse politie concludeerde indertijd dat Jaroszewicz en zijn vrouw Alicja door inbrekers waren vermoord. Er waren echter tekenen dat de dubbele moord het werk was van professionele moordenaars die uit waren op meer dan alleen kostbaarheden. Het echtpaar werd gemarteld alvorens te worden vermoord en het dagboek van Jaroszewicz, waarin hij op 1.800 pagina's de gebeurtenissen vanaf 1945 vanuit het standpunt van een van Polens leiders beschreef, werd gestolen. Ook verdween ten minste één document dat betrekking had op de arbeidersopstand van Radom in 1976. Jaroszewicz was premier van 1970 tot 1980.

Volgens Jaroszewicz' huisvriend Aleksander Kopec - oud-vice-premier - was de moord op het echtpaar politiek gemotiveerd. Zowel het dagboek als het Radom-document bevatte geheime informatie die slechts weinigen bekend was en die potentieel gevaarlijk was voor derden. Vorig jaar vond in Warschau een proces plaats tegen enkele verdachten van de 'inbraak' en de dubbele moord. Maar niemand werd veroordeeld en de zaak is nooit opgelost.