Ruim 2.000 agrariërs actief in toerisme

ROTTERDAM, 18 AUG. Van alle agrarische bedrijven in Nederland kent 2 procent een vorm van 'agrotoerisme'. Het gaat in totaal om 2.258 bedrijven, waarvan ruim zestig procent zich uitsluitend richt op verblijfsrecreatie. Zo'n 1.200 boeren en tuinders hebben een camping.

Dat blijkt een onderzoek van het Landbouw-economisch instituut (LEI-DLO). Volgens het instituut is het agrotoerisme een steeds meer voorkomende nevenactiviteit voor de agrarische sector. De boerderijcamping is de meest voorkomende vorm van agrotoerisme, maar daarnaast komt het aanbieden van andere vormen van logies ook veel voor. Ruim de helft van de bedrijven die aan agrotoerisme doen zijn melkveehouderijen.

In Zeeland en Gelderland zijn de meeste bedrijven met agrotoerisme. Zeeland is koploper met acht procent. Flevoland, Groningen en Utrecht blijven ver achter bij de overige provincies. Ware concentraties komen voor op Walcheren, Schouwen-Duiveland en Texel, maar ook in de Achterhoek, de Graafschap, Salland, Twente en het zuidelijkste puntje van Limburg.

Van het totaal aantal gewerkte uren op de bedrijven 'met recreatie' is ruim tien procent besteed aan recreatie-activiteiten. Van die tijd komt zestig procent voor rekening van de vrouw. De gemiddelde investering die in deze inkomensbron is gedaan bedraagt 40.000 gulden. Ruim de helft daarvan is gespendeerd aan gebouwen, een kwart in sanitair.

Per jaar kost het agrotoerisme de boer gemiddeld 13.400 gulden, waar tegenover 21.400 gulden aan bruto-inkomsten staan. Die inkomsten lopen nogal sterk uiteen, van 1.000 tot 70.000 gulden. De omzet uit agrotoerisme in heel Nederland bedraagt naar schatting 48 miljoen gulden.