Rede tegen het kwaad

Wat ik zondagavond in het Royal Hospital in Belfast gezien heb, zal me mijn leven lang bijblijven. Met zijn allen - ikzelf, de mensen van het ziekenhuis en de familie van de slachtoffers - hebben we daar zitten praten, tussen de tranen door.

Er was een echtpaar wier dochter één en al verband, geneesmiddelen en snoeren was, je kon alleen haar mond nog zien. Haar verloofde, met wie zij binnenkort zou gaan trouwen, vecht op de brandwondenafdeling voor zijn leven.

Er was een jongeman die zwijgend voor zich uit staarde - zijn dochtertje van drie was gedood. Er was een Spaans echtpaar - energieke, sympathieke mensen, wier tienjarig kind buiten bewustzijn lag, met snijwonden in haar gezicht en haar armen en benen overdekt met afschuwelijke verwondingen.

Net als iedere ouder zou doen, denk ik aan mijn eigen zonen en dochter. Ik weet dat ik gek zou worden van verdriet als het hén overkwam.

De politiek kent - zoals ieder terrein waar het er fel aan toe gaat - zijn ups en downs. Maar dit is iets anders. Bij onze kinderen voelen wij een drang tot beschermen die sterker is dan wat ook ter wereld. Wanneer zij niet door blind toeval in gevaar of gewond raken - hoe vreselijk dat ook is - maar door opzet, dan is dat nog veel aangrijpender. Wij voelen dan niet alleen felle smart, maar ook onbegrip. Hoe kan iemand zoiets doen? Hoe? Hebben zij dan helemaal geen gevoel? Hebben zij dan geen snippertje berouw of medelijden?

Het is deels een gevoel van woede, maar dat niet alleen. Het is een vertwijfeling die dieper gaat dan al het gewone mensenverdriet. Ik weet het en ik begrijp het, ik voel het ook. Daarom zat ik daar bij hen, heen en weer geslingerd tussen een gevoel van onmacht en wat ik in mijn diepste innerlijk zeker weet: dat wij zelfs nu, juist nu, niet mogen opgeven. Dat is dan ook precies wat alle familieleden tegen mij zeiden: geef niet op.

[...] Dit was een aanslag op heel de gemeenschap - de nationalisten, de unionisten en de neutralen. Een aanslag gepleegd door een kleine groep dissidenten die niemand, waar dan ook, vertegenwoordigt. Juist door dit barbaarse optreden laten zij zien dat zij volkomen afgesneden zijn van zelfs maar het geringste aanwijsbare standpunt in de Ierse politiek.

Sommige mensen zullen zeggen dat het eigenlijk allemaal het werk is van de Sinn Fein en de IRA. Maar het hoofd van de Noord-Ierse politie, een volstrekt betrouwbaar man, heeft mij gisteren onomwonden gezegd dat zij er direct noch indirect iets mee te maken hebben, en dat er geen aanwijzingen zijn dat hun materiaal voor de bom is gebruikt.

Het is wel duidelijk waar deze renegaten op aansturen: zij willen het proces dat wij op gang hebben gebracht saboteren, zij willen de overeenkomst van Goede Vrijdag ongedaan maken, Sinn Fein als verrader brandmerken en ons zó wanhopig maken dat wij het opgeven.

[...] Wat zaterdag is gebeurd, behoort tot het verleden. Als wij het opgeven en daarheen terugkeren, dan winnen zíj. Dan zal het kwaad zijn doel hebben bereikt. Maar wij kunnen het verslaan, als wij maar hardnekkig aan ons streven vasthouden. Wij moeten en zullen alle denkbare redelijke veiligheidsmaatregelen treffen om dit ellendige restje dissidenten te verpletteren. Wij zullen dat doen in Brits-Ierse samenwerking - ook dát is een verschil met het verleden. Maar wij moeten ook voortgaan met het opbouwen van echte democratie en een echte dialoog, waarin alle politieke richtingen op vreedzame wijze hun standpunt kunnen bepleiten. Dat is het enige alternatief voor dit geweld. Iets anders bestaat niet. En ik weet dat het ook nu, direct na dit tragische bloedbad, mijn plicht is om door te gaan.