Oliebaronnen worden nerveus door lage prijs

Oliesjeiks, emirs, koningen en presidenten in het Midden-Oosten zaten al meer dan een jaar met de handen in het haar. Miljarden dollars moesten ze bezuinigen op hun staatsbegrotingen omdat de mono-economieën rondom de Perzische Golf op verlies stonden door de lage olieprijzen. Het bruto nationaal product, deviezeninkomsten en overheidsbudgetten drijven hier voor 70 tot 95 procent op de olie-export.

Als de olieprijs (nu rond de 12 dollar per vat) niet verder daalt verdienen de elf lidstaten van Opec (Organisatie van olie-exporterende landen) volgens berekeningen van het Duitse Handelsblatt samen dit jaar ten hoogste 95 miljard dollar aan hun product, tegen 150 miljard vorig jaar.

Intussen hebben ze geleerd de tering naar de nering te zetten. In plaats van gratis overheidsvoorzieningen in onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en energievoorziening worden steeds meer Westers georiënteerde economische prikkels in de olielanden geïntroduceerd om de overheidsbestedingen te matigen.

Alleen het structurele probleem van overproductie aan olie kunnen ze niet de baas worden. In de jaren '60 en '70 was er een krachtige Opec die de prijzen decreteerde en zo voor voldoende inkomsten zorgde. De markt en een vloed van onderlinge ruzies - zelfs oorlogen - tussen lidstaten heeft van Opec een tandeloze tijger gemaakt. Besluiten over een snelle productievermindering om de prijzen op te vijzelen, blijken vrijwel waardeloos. Dat bleek onlangs weer duidelijk uit het jongste maandelijkse olierapport van het Internationaal Energie Agentschap: Opec produceert nog steeds meer dan de markt vraagt, de olievoorraden staan op een historisch hoog peil en de prijzen op het laagste niveau sinds tien jaar.

Telkens komen de Opec-ministers weer in Wenen of Genève bijeen om het productieniveau vast te stellen, maar even vaak worden de plafonds door lidstaten doorbroken in hun onderlinge strijd om behoud van marktaandeel. Landen met lage productiekosten als Saoedi-Arabië, Koeweit, de Arabische emiraten, Iran en Venezuela, lijken meer aan omzet dan aan een redelijke prijs voor hun product te hechten. Resultaat is dat de olievloed doorgaat, want ook de meeste niet-Opeclanden willen geen marktaandeel prijsgeven.

Nu is de beurt aan de Westerse oliebaronnen om echt nerveus te worden. De aanhoudend lage olieprijzen tasten de winsten en aandelenkoersen van de Seven Sisters - de zeven grootste Westerse oliemaatschappijen - ernstig aan. De shareholders value komt in het gedrang door een te laag rendement op geïnvesteerd kapitaal en de winsten over het eerste halfjaar van '98 zijn dramatisch gedaald. Amoco was 'kampioen' met een winstdaling van 43 procent.

Afslanking, reorganisaties en allianties waren de afgelopen vijf jaar het wachtwoord in de olie-industrie. British Petroleum en Mobil bijvoorbeeld, bundelden in West-Europa hun raffinage en verkoop, Shell, Texaco en Saoedi-Aramco deden hetzelfde in de Verenigde Staten.

Succesvol zijn de oliemaatschappijen ook geweest in het verminderen van kosten, onder andere door introductie van nieuwe technologie in de exploratie en productie van olie en gas. Maar om bij extreem lage olieprijzen in deze sector voldoende geld te verdienen, moet er meer gebeuren. Fusies en meer allianties in de branche zijn het nieuwe wachtwoord, zoals die tussen BP en Amoco. Groot worden dus, overlappingen wegsnijden, raffinaderijen moderner en efficiënter maken, de kosten tot het uiterste terugbrengen, de marketing en verkoop van brandstoffen combineren.

Elke maatschappij wil haar reserves in olie en gas opvoeren. Dat betekent investeren in wat bij BP New Frontiers heet: de veelbelovende gebieden in Siberië, het eiland Sakhalin aan de Russische Oostkust, de Kaspische regio, in Columbia, Venezuela en Vietnam. Een kostbaar verhaal, dat pas op langere termijn winst oplevert. Samenwerking met branchegenoten in consortia is aan de orde van de dag om deze grote projecten van de grond te tillen. Het ambitieuze British Petroleum, dat tegelijk gul wil zijn voor zijn aandeelhouders èn zijn olie- en gaswinning wil uitbreiden, had dringend behoefte aan schaalvergroting, legde topman Sir John Browne vorige week uit. En Amoco zat al geruime tijd op een partner te wachten. Deze bundeling kan in 15 à 20 jaar net zoveel kostenbesparing opleveren als de hele fusie nu kost en verschaft BP een vorstelijke positie op de Amerikaanse markt voor brandstoffen en petrochemische producten.

BP Amoco Plc vormt tegelijk een bedreiging en een uitdaging voor een hele rij kleinere marktpartijen, maar laat ook de grootste spelers Exxon en Shell niet onberoerd. Volgens marktanalisten kan deze grootste industriële fusie tot dusver, een serie fusies, allianties en swaps (het ruilen van projecten zoals Shell vorige maand met Occidental overeenkwam) uitlokken.

Amerikaanse maatschappijen als Chevron, Hess, Mobil, Phillips, Occidental en Texaco worden uitgedaagd om partners te zoeken. In Europa zullen de Spaanse maatschappijen Cepsa en Repsol, het Belgische Petrofina, het Portugese Petrogal, de Italiaanse gigant Eni en het Noorse Saga hun kansen verkennen. En in Groot-Brittannië is een rij bedrijven voornamelijk op de Noordzee actief, zoals Enterprise, British Borneo en Lasmo, waarvoor een fusie of alliantie met een grote partij financiële slagkracht kan opleveren die ze dringend nodig hebben om meer te kunnen investeren.