Mijn Romeinse hospita's (2)

Ik vond een nieuwe kamer aan de andere kant van de stad, vlakbij San Giovanni. Deze buurt was duidelijk een stuk sjieker dan die achter de muren van het Vaticaan, maar ook veel minder levendig. Ik kwam aan in een straat vol bloeiende boompjes, rose en wit, en pastelkleurige negentiende-eeuwse flats met grote houten poorten en marmeren trappen; op elke hoek een klerenzaak of haute couture-schoenenwinkel.

Mijn hospita leek al wat meer op hoe je je een hospita voorstelt: dik, lui, ontevreden, verveeld en, naar al gauw bleek, helemaal niet gesteld op een medebewoonster. Ze verhuurde de kamer, zei ze, omdat ze er verder toch niks mee deed, maar voor het geld kon ze het ook laten, ze verdiende genoeg. Waarom ze dan zevenhonderdvijftig duizend lires vroeg? Dat was de normale prijs in Rome voor een kamer. Maar ik mocht de keuken gebruiken en de badkamer en zelfs de wasmachine.

De wasmachine gebruikte ik zo vaak ik wilde, ik had er groot plezier in de vieze was in de trommel te stoppen en hem er dan later schoon en nat uit te halen, tot de hospita na een maand mijn kamer binnenstormde, rood van woede, en krijste: “Nee! Ik wil het niet! Ik kan het niet langer verdragen!”

Geschrokken staarde ik haar aan. Wat was er aan de hand? “Ik ben een alleenstaande vrouw”, riep ze, “ik werk me in het zweet voor dit huis, ik heb niemand die het voor me doet, begrijp je? Niemand!” Ze had ook een zoon van vijftien. “Ik moet zijn kleren wassen en de mijne. En ik kan het niet langer hebben als elke keer het waspoeder op is. Zo. Ik wil het niet. Basta!”

Ze verliet de kamer, dit wonder van communicatie, en liet me verbouwereerd achter. Ik had dus ten onrechte haar zeep gebruikt, dat was duidelijk. Goed, de volgende dag kocht ik snel twee pakken waspoeder.

Weer een maand later, net toen ik uit de douche kwam, ontplofte op zijn beurt haar zoon: “Luister meisje!” zei hij met zijn overslaande stem van vijftienjarige Romein, “als iemand het water aandoet, kan jij het niet gebruiken. Je kan niet zomaar het water nemen. Begrijp je? Nee, geen discussie, basta!” Hij sprak snel, in Romeins dialect, en er was geen touw aan vast te knopen.

Wat, het water aandoen? Het water nemen? Waar had hij het over? De jongen was al snuivend van woede weggelopen, maar dit pikten we niet.

“Maurizio”, riep ik, “ik begrijp er niets van. Waar heb je het over?”

Nu kwam zijn moeder zich ermee bemoeien. “Elke keer als jij een douche neemt”, legde ze uit - de ramp was dat ik maar liefst elke dag een douche nam - “is het water op, en je vergeet het uit te zetten. Dat kan toch niet? Straks ontstaat er nog brand!”

Ik keek van de één naar de ander. “Uitzetten?” vroeg ik. “Ik draai een kraan open, en als ik klaar ben, draai ik hem weer dicht...”

“Zit er dan niets in dat hoofd van jou?” riep de moeder, pakte me bij een arm en sleurde me naar de badkamer. Ze wees op een rood knopje. “Daar. Zo is hij uit, en zo...”, ze drukte op de knop, “is hij aan. Snap je het nu?”

Ze hadden het over de boiler, begreep ik eindelijk. “Maar ik heb thuis geen boiler”, protesteerde ik, “hoe kan ik weten hoe zo'n ding werkt, als jullie het me niet uitleggen?”

“We zijn hier in Italië, niet in Holland”, snauwde Maurizio en sloot zich op in zijn kamer.

“Snap je het nu?” beet de moeder me nog toe. Ik knikte, maar een week later was ik weg.