Kok onthutst over mogelijk incident bij vlucht Dutchbat

DEN HAAG, 18 AUG. Premier Kok zou er “absoluut” geen begrip voor hebben mochten vluchtende Dutchbatters in de nacht van 11 op 12 juli 1995 met hun pantserwagen twintig tot dertig moslimsoldaten hebben overreden. “Ik vind dat er nu absoluut geen sprake kan zijn van welk begrip dan ook.

Ik ben onthutst door de berichten en ik heb erg veel behoefte aan contact met de minister.'' Dit zei de premier, terug van vakantie, gisteren in het nieuwsprogramma van RTL 4. De pantserwagen was destijds met negen Dutchbatters en moslimvluchtelingen aan boord op weg van de gevallen VN-observatiepost in Jaglici naar het Nederlandse VN-hoofdkwartier, de compound, in Potocari. De wagen lag onder vuur van het Bosnisch-Servische leger van generaal Mladic, terwijl moslimsoldaten de weg blokkeerden omdat zij niet wilden dat Dutchbat de observatiepost verliet. Uit de opmerking van de premier valt op te maken dat hij niet precies is geïnformeerd over de toedracht van dat incident en over aantallen slachtoffers die daarbij zouden zijn gevallen.

In het debriefingsrapport dat Defensie 30 oktober 1995 uitbracht over de val van Srebrenica en de gebeurtenissen waarbij Nederlandse militairen betrokken waren geweest is slechts een samenvatting van het incident opgenomen. Uit de verklaringen van de bemanning van de pantserwagen zou niet van het overrijden van tientallen mensen of andere strafwaardige gebeurtenissen zijn gebleken. De toenmalige minister van Defensie, Voorhoeve, verzocht in 1996 om inzage van de vertrouwelijke verklaring van de sergeant die de wagen bestuurde. Hij kwam daartoe nadat hem via een humanistische geestelijk verzorger, B. Hetebrij te Assen, nadere verhalen ter ore waren gekomen over het incident, waarover leden van de bemanning nog steeds in gewetensnood verkeerden.

Defensie kwam daarop tot de conclusie dat uit de verklaring van de sergeant geen nieuwe feiten bleken en achtte, net als de marechaussee een jaar daarvoor, een nader onderzoek onnodig. Of Voorhoeve, die vanmorgen niet voor commentaar bereikbaar was, in 1996 de verklaring van de sergeant zelf gelezen heeft kon een woordvoerder van Defensie desgevraagd niet zeggen. Ook wist hij niet of deze zaak ooit in het vorige kabinet is besproken. Voorhoeve heeft tot dusver steeds gezegd dat hij alles wat in verband stond met Srebrenica steeds in het kabinet had besproken.

De directeur van het RIOD, J.H.C. Blom, is bezorgd voor schadelijke effecten van allerlei nieuwe onderzoeken op het Srebrenica-onderzoek dat zijn instituut eind 1996 is opgedragen. Blom is daarvoor bang na het vorige week door minister De Grave opgedragen onderzoek naar de rol van Defensie sinds de zomer van 1995 en een eventueel parlementair onderzoek.