JULIEN GREEN (1900-1998); Grote Franse romancier

AMSTERDAM, 18 AUG. Julien Green wilde graag het jaar 2000 halen, en liefst nog enkele jaren verder. De Frans-Amerikaanse schrijver zou de volgende maand, op 6 september, 98 worden. Afgelopen donderdag is hij, naar nu pas bekend werd, in zijn woonplaats Parijs aan een hartstilstand overleden. Op zijn klemmende verzoek is hij buiten Frankrijk in alle stilte begraven. Green werd in 1971 lid van de Académie française. Twee jaar geleden besloot hij van deze eretitel afstand te doen. Hij voelde zich te zeer een Amerikaan om nog langer belangstelling te hebben voor zoiets 'onnuttigs' als een lidmaatschap van de Académie.

Zijn belangrijkste, klassiek geworden romans als Adrienne Mesurat (1927), Leviathan (1929) en Moïra (1950) getuigen van een dilemma dat zijn leven beheerste: hoe kan de mens bevrijd worden van het kwaad en de zonde? Voor Green betekende het kwaad vooral de demonie van de seksuele begeerte. Voor hem was de hemel de plek waar die zonde niet zou bestaan. Vanaf 1928 hield hij een dagboek bij, in de vooraanstaande Pléiade-reeks van Gallimard gepubliceerd als Journal. Daarin staan prachtige observaties over slapeloosheid, onrust, heimwee, over de 'onpeilbare droefgeestigheid' van de wereld en religie.

Green werd protestants opgevoed maar bekeerde zich op zestienjarige leeftijd tot het katholicisme. Ook daarvan wendde hij zich af om, via een kortstondige liaison met het boeddhisme, in 1939 opnieuw katholiek te worden. Dit geloof betekende voor hem verlossing.

Zijn verlangen buiten Frankrijk een laatste rustplaats te vinden, is kenmerkend voor Green: op aarde beschouwde hij zich als een vreemdeling, een ontheemde. Hij is van oorsprong Amerikaans, en voelde zich in latere jaren steeds meer verbonden met dit land, vooral met de zuidelijke staten. Dit was het land van zijn moeder. In 1987 publiceerde hij de grote roman Les pays lointains (Verre landen) over dit voorbije Amerikaanse zuiden met zijn aristocratie. Opnieuw koos Green, zoals in Adrienne Mesurat, een vrouwelijke hoofdpersoon, Elizabeth Escridge. In haar strijden twee tegengestelde gevoelens om de voorrang: de vurige, ontembare passie voor een jongeman en een meer getemperde liefde voor een oudere man. Met hem is ze dan ook getrouwd. Uiteindelijk schenkt ze al haar liefde aan haar zoon.

Julien Green werd tweetalig opgevoed. Hij schreef vrijwel al zijn boeken in het Frans. Zijn vader was een Amerikaanse handelsagent in Parijs. Na zijn schooltijd ging hij in 1919 naar Amerika, waar hij filosofie studeerde aan de universiteit van Virginia. In 1922 keerde hij definitief naar Frankijk terug. Green behoorde tot de laatste grote Franse romanciers als Gide, Malraux, Sartre en Mauriac. In Parijs bewoonde hij een verdieping in het Zevende Arrondissement aan een stille straat. Diepe, rode tapijten op de vloer, fluwelen gordijnen; wanden bekleed met boeken. Hij deelde zijn leven met zijn aangenomen zoon Jean-Eric Green. In 1990 werd in Nederland door het Zuidelijk Toneel, in de regie van Ivo van Hove, zijn toneelstuk Het Zuiden (Sud) uit 1953 opgevoerd. Aan de vooravond van de Amerikaanse Burgeroorlog raakt de hoofdpersoon, luitenant Wiczewsky, verliefd op de jongen Erik. Een liefde die door niemand begrepen wordt, al helemaal niet door Erik zelf.

Green had zeer lichte, heldere ogen. Kijken speelt in al zijn werk een grote rol. Het kijken naar schoonheid van mannen of vrouwen bekoorde en beangstigde hem ook. Fysieke, zuivere schoonheid in zijn werk betekent altijd lijden; het hypnotiseerde hem en maakte hem intens droevig. Hij leed daaronder. Wanneer, zoals in Moïra, een man een mooie vrouw ziet, schrijft Green dat het 'ontzaglijk stil wordt om hem heen'.

De schrijver Green weigerde samen te vallen met de werkelijke Green; hij schreef vanuit zijn dromen. Green wilde, zoals hij in een gesprek eens zei, 'graag de man ontmoeten die zijn boeken schreef. Want ik ken hem niet.' Hij herlas nooit zijn werk. Ik citeerde hem een regel uit Moïra: “Er waren twee rijken, dat van God en dat van de wereld en die twee verdroegen elkaar niet in het hart van de mens.” Hij herinnerde het zich niet meer. Desondanks vulde hij meteen aan: “Ja, het is het heimwee naar God dat we verloren hebben. Het paradijs waaruit de mens is verdreven is niet zijn kindertijd. Het is de hemel.”