Geen kerkelijk excuus voor presidentiële daad

Geen seks, wel “een relatie die niet gepast was”. Kan de herziene positie van de president standhouden tegen de beschuldigingen van meineed, door een beroep te doen op de christelijke leer?

ROTTERDAM, 18 AUG. “Mijn antwoorden waren juridisch correct”. Met deze woorden herhaalde Clinton gisteren zijn eerder gedane uitspraak dat hij geen seksuele relatie heeft gehad “die vrouw, Miss Lewinsky”. In plaats daarvan sprak hij van “een relatie die niet gepast was.” Wat ongepast precies inhoudt is niet duidelijk, maar Clinton zal hard moeten kunnen maken dat het geen relatie van seksuele aard was, wil hij de beschuldiging van meineed ontkrachten.

In hoeverre kan Clinton, die zichzelf presenteert als een gelovig christen, een beroep doen op de christelijke leer om bijvoorbeeld orale seks niet als seksueel contact te laten gelden?

Veel speelruimte lijkt de president niet te hebben. Volgens L.J. van den Brom, hoogleraar christelijke ethiek aan de Universiteit van Groningen, wordt de christelijke leer vaak “geïnterpreteerd aan de hand van de algehele moraal. In Amerikaanse context is vaak al sprake van seksualiteit als je elkaar hebt aangeraakt.” Die opvatting wordt gedeeld door prof. P.-J. Wils, hoogleraar moraaltheologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen: “Het is volledig absurd om te stellen dat orale seks geen seks zou zijn. Als het geen seks is, wat is het dan? Sport?” Binnen de katholieke traditie moet seksualiteit wil ze legitiem zijn aan twee voorwaarden voldoen: ze moet binnen het huwelijk plaatshebben en een procreatieve intentie hebben. Wat betreft Clinton valt er binnen het katholieke standpunt volgens Wils dan ook geen mildheid te verwachten.

De katholieke kerk heeft een duidelijk uitgewerkte moraal op het gebied van seksualiteit. Dat geldt echter niet voor de baptistengemeente waar Clinton lid van is. Biedt dat ruimte voor juridische manoeuvres? Prof. dr. O.H. de Vries, buitengewoon hoogleraar aan de Theologische Faculteit van de Universiteit Utrecht en docent aan het Nederlandse Baptistenseminarium, meent van niet. Binnen de baptistenkerk, een van de vrije kerkgenootschappen die zich in de zeventiende eeuw losmaakte uit de Church of England, bestaat een grote onafhankelijkheid van de plaatselijke gemeenten. Lokale ontwikkelingen kunnen dan ook sterk verschillen.

Er bestaat wel een overkoepelende organisatie, maar die heeft een losse structuur en schrijft geen leerstellingen of moraal voor. In plaats daarvan ligt er een grote nadruk op persoonlijke geloofsovertuigingen.

Dit prive-karakter van het baptistengeloof klonk door in Clintons woorden: “Dit is nu een zaak tussen mij en de twee mensen die ik het liefst heb - mijn vrouw en onze dochter - en onze God.”

De persoonlijke vrijheid betekent echter geenszins vrijheid om op moreel gebied te doen wat je goeddunkt. “Het baptisme conformeert zich aan behoudend orthodox protestantisme”, aldus De Vries.

Daar komt nog bij dat de Baptistenunie waar Clinton deel van uitmaakt, de Zuidelijke Baptisten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Noordelijke Baptisten “zeer conservatief” is. Clintons gedragingen zijn in het licht van deze geloofsopvattingen volgens hem dan ook “volstrekt onacceptabel”.