De gouden zonsondergang van Brugge

Tentoonstelling: Van Hans Memling tot Pieter Pourbus; Brugge in de 16de eeuw. Memlingmuseum - Oud Sint-Janshospitaal (Mariastraat/Zonnekemeers, Brugge). T/m 6/12, dag. 10-21u. Catalogus (Uitg. Kunstboek/Ludion), 320 blz., BF 1.200. Reserveren voor een bezoek aan de tentoonstelling is raadzaam; in België: tel. 0032 50 446644; in Nederland: tel. (070)-419 55 43.

In een overzicht van zestiende-eeuwse schilderijen uit Brugge ligt het voor de hand de nodige invloed van Michelangelo te verwachten. De Renaissance in de Nederlanden is vanaf 1500 immers sterk bepaald door Italiaanse voorbeelden, en Brugge was de enige plaats buiten Italië waar toen al een beeldhouwwerk van Michelangelo kon worden bewonderd: de Madonna met kind, die in 1506 door een zekere Jan Mouscron was geschonken aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Toch valt Michelangelo's naam opvallend weinig in de tentoostelling Van Hans Memling tot Pieter Pourbus, waarmee het Memlingmuseum in Brugge een beeld geeft van een vergeten periode uit de geschiedenis van de schilderkunst in die stad.

Slechts één werk dat daar wordt getoond, laat iets zien van een navolging van Michelangelo's beeld. Gerard David moet het hebben bestudeerd alvorens hij zijn zogenaamde Madonna met de paplepel (1510-1515) schilderde. Davids overname beperkt zich echter tot een detail: de bevallige rechterhand van de Madonna. Weinig heeft hij zich gelegen laten liggen aan de zware, klassieke vormen en de geïdealiseerde schoonheid van Michelangelo's figuren. David schilderde een huiselijk tafereel met een elegante Maria die haar zoontje pap voert. Het interieur is, in de beste Brugse traditie, met allerlei gedetailleerd geschilderde voorwerpen opgeluisterd en Maria's lange haar valt als een gouden waterval over haar schouder. Het werk is typisch voor de relatie van de zestiende-eeuwse schilderkunst in Brugge tot de heroïsche Italiaanse Renaissance.

Gerard David (circa 1455-1523) slaat de brug tussen de laatmiddeleeuwse traditie en de Renaissance van de zestiende eeuw. Een jongere generatie blijkt sterk beïnvloed door wat in de tentoonstelling de 'Brugse canon' wordt genoemd - vertegenwoordigd door werk van David en de schitterend ingetogen kunst van Hans Memling. De lokale traditie werd voortgezet door een miniaturist als Simon Bening (1483/4-1561) die op klein formaat verbluffend gedetailleerde composities penseelde. Schilders die in de eerste helft van de zestiende eeuw werkzaam waren, zoals Adriaen Isenbrandt, de anonieme 'Meester van het Heilig Bloed' en Ambrosius Benson, keken ook naar Zuid-Europese voorbeelden. Hun figuren zijn anatomisch natuurlijker en hun composities harmonieuzer; (quasi-)klassieke ruïnes en op Italiaanse voorbeelden geïnspireerd ornament doen hun intrede. Maar steeds blijken de invloeden geïncorporeerd in een eigen Vlaamse traditie, met een voorkeur voor detail en decoratie. Dat is goed te zien in het werk van Lanceloot Blondeel (1498-1561). Blondeel was gevierd om zijn 'metselrijen', klassieke architectonische motieven die veel van zijn voorstelling omkransen. Vaak zijn ze vlak, in goudkleur geschilderd en doen ze eerder aan fantasie-toneeldecors denken dan aan werkelijke bouwwerken.

In een ander opzicht is Blondeel echter een typisch kunstenaar van de nieuwe tijd: een homo universalis die op 21-jarige leeftijd vrijmeester werd en daarvoor al werkzaam was geweest als metselaar en zelfs architect. Van zijn hand worden bovendien enkele getekende hydrotechnische ontwerpen getoond voor de aanleg van een nieuwe waterweg tussen de zee en Brugge. Plannen daarvoor werden gemaakt nadat Brugge als havenstad in moeilijkheden was gekomen door de verzanding van het Zwin. De economische neergang die de stad mede daardoor sinds het einde van de vijftiende eeuw had doorgemaakt, heeft de door negentiende-eeuwse romantici en symbolisten gevoede mythe bepaald van Brugge als 'dode' stad, na een periode van ongekende bloei.

De tentoonstelling nuanceert dit beeld. Weliswaar nam Antwerpen de rol van de belangrijkste handelsmetropool in de Nederlanden over, maar voor Brugge betekende het niet dat er een abrupt en definitief einde kwam aan de internationale handel, de welvaart en de artistieke cultuur. Niet alleen blijkt de schilderkunst er in de loop van de zestiende eeuw uiterst vitaal en van hoge kwaliteit te zijn gebleven; ook waren in Brugge belangrijke uitgeverijen van boeken en prenten gevestigd. Bovendien vormde zich er een invloedrijke humanistische cultuur, met kopstukken als de uit Spanje naar Brugge geëmigreerde auteur Juan Luis Vives.

Deze fascinerende gouden zonsondergang van Brugge is nog weinig bestudeerd. Daarom is het jammer dat de expositie en de catalogus sporen van haastwerk vertonen. De nadruk op Hans Memling en Pieter Pourbus - die beiden nog kort geleden onderwerp van monografische tentoonstellingen waren - komt gemakzuchtig over en leidt de aandacht af van de minder bekende meesters van de zestiende eeuw. Keer op keer wordt in de catalogusteksten geconstateerd dat over hun leven, de precieze samenstelling van hun oeuvres en hun afzonderlijke werken nog weinig bekend is. Maar de kans om, naast een omvangrijke en mooie presentatie van hun werk, ook een serieus begin te maken met een systematische studie naar deze schilders hebben de organisatoren laten liggen.