BP, Amoco en de erfenis van illustere oliemagnaten; Gedreven door het zwarte goud

Olie is sinds het begin van de Eerste Wereldoorlog een van de belangrijkste ingrediënten voor politieke en financiële machtsvorming. Ook de majors British Petroleum en Amoco die willen fuseren, speelden daarin een belangrijke rol. Olie als oorlogswapen, als bron van een ongekende economische groei, mobiliteit en kapitaalvergaring, als basis voor kartels en de strijd daartegen. Een verhaal uit de boekenkast *) van illustere magnaten en politici, gedreven door de stroom van het zwarte goud, vaak met blinde vlekken voor de gevolgen.

Het bezoek van de Duitse kanonneerboot Panther op 1 juli 1911 aan de Marokkaanse havenstad Agadir zaaide grote onrust in de wereld. Op last van keizer Wilhelm moest de Panther op het door Franse hegemonie gekenmerkte Afrikaanse continent een signaal van Duitse militaire krachtpatserij afgeven. Was dit het eerste teken van een crisis?

Winston Churchill, de toen 37-jarige minister van Binnenlandse Zaken in het Britse kabinet, meende van wel. Lang had hij zich verzet tegen extra uitgaven voor Defensie. Maar direct na 'Agadir' liet hij zich overtuigen dat het Verenigd Koninkrijk een vuist moest maken door de marine te versterken. Dit symbool van de Britse imperiale macht moest overwicht laten zien tegen de zich snel uitbreidende Duitse vloot.

Aanstonds werd Churchill benoemd tot First Lord van de Admiraliteit. Een van zijn eerste instructies was de zeer controversiële omschakeling van kolen naar olie voor de oorlogsbodems. Dat zou hun snelheid en wendbaarheid bevorderen en manschappen vrijmaken voor meer zinvolle taken dan kolen scheppen. Maar waar moest die olie vandaan komen? Beleefd maar resoluut wees Churchill een aanbod van Sir Marcus Samuel, topman van Shell, van de hand omdat de prijs te hoog zou zijn. De Britse regering vreesde ook een te grote greep van Shell - met zijn slimme Nederlandse directievoorzitter Henry Deterding - op haar binnenlandse oliemarkt die net in opkomst was.

Londen was meer geïnteresseerd in goedkope olie uit Perzië, van een door-en-door Brits bedrijf: de Anglo-Persian Oil Company (in 1935 omgevormd tot Anglo-Iranian en in 1954 tot British Petroleum). Vlak voor de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kocht Churchill 51 procent van Anglo-Persian, dat daarmee in feite een door de staat gecontroleerd bedrijf werd. Pas in de jaren '80 werd dit latere British Petroleum, intussen een grote oliemaatschappij met belangen in 70 landen en actief in alle takken van de branche inclusief chemie, door de regering-Thatcher volledig geprivatiseerd.

De strategische waarde van olie werd na het begin van de Eerste Wereldoorlog zo groot dat Britse troepen in de herfst van 1914 de Ottomaanse (Turkse) vijand die de zijde van de Duitsers had gekozen, uit Perzië verdreven. Maar ze gingen een belangrijke stap verder: ook de prille maar veelbelovende olievondsten in Mesopotamië (nu Irak) en Koeweit waren hun doel. Een snelle invasie van Basra in het zuiden van Mesopotamië werd uitgevoerd. Pas in 1917 slaagden de Britten erin na harde strijd met de Turkse vijand Bagdad in te nemen waarmee ze toegang kregen tot de olievelden in Kirkuk, ten noorden van de hoofdstad.

William Knox D'Arcy, een avonturier die schatrijk was geworden door belangen in Australische goudwinning, legde in 1901 de basis voor de Anglo-Persian oliemaatschappij. D'Arcy en zijn geoloog Bernard Reynolds wisten de Grootvizier van Teheran tot een grote concessie te bewegen tegen een toen vorstelijk bedrag van 20.000 pond sterling, 20.000 aandelen van 1 pond en 16 procent van de nettowinst op te produceren olie. In 1908 zagen de Grootvizier en D'Arcy de eerste olie uit de grond spuiten en een jaar later werd een alliantie gesloten met het eveneens Britse Burmah Oil dat voor extra kapitaal zorgde: Anglo-Persian was geboren.

Na de vrede van 1918 ontstond een harde politieke en commerciële strijd om de olie in Irak, nu het op één na rijkste olieland ter wereld, maar met een sterk verarmde bevolking als gevolg van het avontuur van 1990-1991 in Koeweit. Groot-Brittannië dat destijds de feitelijke macht in het gebied uitoefende, wilde vasthouden aan de belangen die Anglo-Persian hier had opgebouwd. Maar de Franse en Amerikaanse regeringen en ook de intussen gevormde Koninklijke/ Shell Groep - die al een overeenkomst met Anglo-Persian had en geplaagd werd door de naasting van haar Russische belangen na de revolutie van 1917 - lieten weten dat er van een Brits alleenrecht geen sprake kon zijn.

Ook topman William Teagle van Standard Oil of New Jersey, de machtigste oliemaatschappij in de Verenigde Staten, kwam namens de hele Amerikaanse olie-industrie - ook Standard Oil of Indiana, het latere Amoco - een belang in de Iraakse oliewinning opeisen. En Calouste Gulbenkian, een olie-expert uit Armenië die al in de Ottomaanse tijd zijn sporen in het Midden-Oosten had verdiend, verscheen op het toneel dat zich afwisselend van Bagdad naar Londen en Parijs verplaatste.

Gulbenkian was rijk geworden van alle olie-akkoorden die hij voor de Sultan van Constantinopel had afgesloten en stond bekend als de Five percent man: aan elke deal hield hij vijf procent van de productie-opbrengst over. Deze curieuze Armeniër, door de sultan beloond met het gouverneurschap van een van de Turkse havensteden aan de Zwarte Zee, hield er tot op hoge leeftijd steeds ten minste één jeugdige maîtresse op na, volgens The Prize van Daniel Yergin “op advies van zijn dokter, om vitaal te blijven”.

Ook in deze langdurige onderhandelingen boekte hij succes: in 1928 werd het akkoord Red Line gesloten. In een gebied dat Turkije en het hele Arabische schiereiland behalve Koeweit omvatte, mocht volgens het beroemde boek The Seven Sisters van Anthony Sampson olie worden geproduceerd door vier partners met een gelijk aandeel: Koninklijke Shell, Anglo-Persian, de Franse staat en de Near East Development Company die de belangen van de Amerikaanse bedrijven behartigde. De resterende vijf procent was gereserveerd voor ... Gulbenkian, die het recht kreeg deze olie direct tegen marktprijzen in Frankrijk af te zetten.

Het akkoord Red Line zou later aanleiding worden voor bittere conflicten in Arabië en Perzië en tussen deze landen en het Westen. Want de Seven Sisters kregen de macht over de prijsvorming. De sjeiks, monarchen, presidenten en de Sjah van Perzië voelden zich door de oliemagnaten met een fooi afgekocht. Uiteindelijk werden alle Westerse bezittingen in de jaren '70 genationaliseerd, inclusief die van BP in Perzië waar het verzet tegen de Britten na de Tweede Wereldoorlog al fel was opgelaaid.

Anglo-Iranian Oil, de opvolger van Anglo-Persian en voorganger van BP, moest al eerder wijken. De Perzen reageerden woedend toen bekend werd dat het Britse bedrijf tussen '45 en '50 zo'n 250 miljoen pond sterling aan winst had opgestreken, tegen een afdracht van slechts 90 miljoen aan royalties voor de Perzische schatkist. Daar bovenop ontving de Britse regering nog eens een hoger bedrag dan die royalties aan belastingen van Anglo-Persian, plus ruim de helft van de dividenden die in Engeland door het bedrijf werden uitgekeerd. Een poging tot verzoening door de olie-opbrengsten 50-50 te verdelen kwam te laat; de radicale premier Mohammed Mossadeq kreeg in 1951 parlementaire instemming voor een nationalisatiewet die de Sjah met bloedend hart tekende. De olie-inkomsten kwamen op een laag pitje te staan, de Perzische economie stortte in. Pas nadat Mossadeq in 1953 werd afgezet kreeg een Westers consortium vanaf 1954 mèt Anglo-Iranian als participant weer kansen in Perzië.

Europese regeringen stelden zich in het algemeen toleranter op tegen oliekartels dan de Amerikanen. Shell en BP hadden bijvoorbeeld in Engeland met Exxon een gezamenlijk verkoopbedrijf dat de prijzen decreteerde. Pas in de jaren '70 werd dit kartel verboden. Iets soortgelijks, met nog meer branchegenoten, bestond in Zweden.

In Amerika was kartelvorming al vroeg streng verboden. John D. Rockefeller, een succesvolle zakenman uit Cleveland, had in 1870 Standard Oil opgezet, een succesvol bedrijf dat zeven jaar later al meer dan 90 procent van de Amerikaanse raffinagecapaciteit bezat. Rockefeller kreeg al gauw met de anti-trustwetgeving te maken en moest na lange processen in 1911 op last van het Supreme Court zijn monopolie opbreken. Die splitsing leverde een serie afzonderlijke bedrijven op met als grootste Standard of New Jersey, het latere Exxon. Ook Standard Oil of Indiana, later omgedoopt tot Amoco (American Oil Company), nu fusiepartner van BP en het vijfde oliebedrijf in de VS, behoort tot de erfenis van Rockefeller. Evenals Atlantic Richfield, Chevron en Conoco. De voorganger van Amoco, Standard Oil of Indiana, was ook al een vaste partner van de Britse onderneming in het consortium dat na de val van Mossadeq in Perzië werd gevormd.

Dat was de verdienste van een geniale olie-expert, de Italiaan Enrico Mattei die de Perzen als geen ander kende en in '57 een aantrekkelijke overeenkomst wist te maken. Amoco is gestadig gegroeid en heeft nu exploratie-activiteiten in 20 landen en productie in 14 landen, inclusief het door oliemensen geliefde Azerbajdzjan. BP Amoco, het nieuwe bedrijf dat uit de vorige week aangekondigde fusie moet ontstaan, wil flink investeren in de Kaspische regio, een gebied dat volgens het Internationaal Energie Agentschap ten minste zoveel olie en gas kan opleveren als de Noordzee.

*) Geraadpleegde literatuur: A History of Arab peoples, van Albert Hourani, The Seven Sisters van Anthony Sampson, The Prize van Daniel Yergin, Fundamentals of the petroleum industry van Robert O. Anderson en Our industry, een uitgave van BP.