Ongeboren wonderen

“Die doet me denken aan Dracula”, zegt de bezoeker.

“Maar het is een embryo van een vliegende lemuur”, verbetert Jenny Narraway, conservator bij het Hubrecht Laboratorium in Utrecht. “Kijk, je ziet de navelstreng nog duidelijk zitten.”

“Het lijkt wel of hij een cape draagt.”

“Dat is de huidflap die hij tussen zijn poten ontwikkelt. Die gebruikt hij om van boom naar boom te zweven”, legt Narraway uit.

“Waar komt-ie vandaan”, vraagt de bezoeker nieuwsgierig.

“Deze halfaap leeft in de bossen van Madagascar.”

Behalve de vliegende lemuur herbergt de Embryologische collectie van het Hubrecht Laboratorium nog zo'n 2.000 andere ongeboren dieren. Allemaal op sterk water, opgeborgen in goed afgesloten weckpotten, waardoor de penetrante geur van formaldehyde gelukkig afwezig blijft. Alles staat netjes achter glas, in houten kasten.

Narraway is enkele maanden geleden begonnen met een inventarisatie van de collectie. “Veel dieren hebben nu alleen een Latijnse naam. Ik probeer er een Engelse of een Nederlandse naam bij te vinden. Grote plompe lori spreekt toch meer aan dan Nycticebus coucang.”

De hele collectie moet ook op Internet. Informatie over de embryo's gaat steeds vergezeld van een foto en in sommige gevallen zelfs een driedimensionale weergave van het dier.

Er is prachtig en waardevol materiaal te zien. Ondere andere de embryo's die door ontwikkelingsbioloog prof.dr. A.A.W. Hubrecht (1853-1915) zijn verzameld. Narraway: “Hij was rijk en financierde regelmatig expedities naar de Nederlandse tropische koloniën, vooral naar de Indonesische archipel. Ze sneden de gevangen dieren open en als er een embryo in zat werd dat, geconserveerd in formaline, teruggestuurd naar Nederland.”

Een ander belangrijk onderdeel van de collectie is het materiaal dat de Brit prof. J.P. Hill verzamelde. Dat bestaat uit embryo's van snavel- en buideldieren die hij verzamelde in Australië. “Met de verzamelde dieren moeten we heel voorzichtig zijn. Zulke collecties kun je nu niet meer samenstellen, want je mag niet zomaar beesten afschieten zoals vroeger”, aldus Narraway, die binnenkort naar het Zweedse Lund reist om een collectie te bekijken. “Die willen ze van de hand doen. Ik ga kijken of er iets bij zit wat voor ons de moeite waard is.”

Er zijn miereneters, luiaards, egels, herten, vleermuizen, paarden, allerlei soorten apen. Sommige embryo's hebben iets van buitenaardse wezens, andere zijn exacte miniatuurversies van het volwassen dier dat ze hadden kunnen worden.

“Aha, mijn lieveling”, zegt Narraway plotseling. De bezoeker fronst de wenkbrauwen. De conservator wijst naar een pot. “Dat is mijn favoriet: Bradypus tridactylus, ofwel de luiaard.” Het ongeveer 15 centimeter grote dier ligt opgerold in de typische foetushouding. Zijn lijf zit al onder de stekelige haren, er loopt een bruine streep over zijn frêle rug. De bezoeker voelt het kippenvel opzetten als hij wat langer naar het bleekwitte dier blijft kijken. Zag hij daar iets bewegen? Hoorde hij iets piepen?