Licht in huis

Als ik de hoek naar mijn gracht omsla, raak ik even mijn evenwicht kwijt. Het uitzicht klopt niet. In de vertrouwde steunbiedende skyline van trapgevels en bomen is een bres geslagen: een gat vol lucht, waarnaar ik nu gevaarlijk overhel.

Ik sta stil. Naast mijn huis zie ik een hoogwerker wiens lange hals verdwijnt in de takken van de boom die... Ik sta weer kaarsrecht: Verdomme, ze halen onze boom weg. En vorig jaar is hij nog goedgekeurd!

Ik wil dat mijn ogen mij bedriegen en vul het gat opnieuw met het groen dat nog op mijn netvlies staat. Maar het geluid van een motorzaag dwingt mij tot de realiteit. De zaag geeft korte onregelmatige stoten en valt stil. De boom siddert. Hij begint aan één zijde te ruisen alsof hij alleen aan die kant door storm belaagd wordt. Een grote tak kantelt en hangt ten slotte ondersteboven aan een touw, stil langs de stam.

De man in het hoogwerkerskorfje laat het touw dat over de katrol van een hoog in de boom gehangen takel loopt, vieren. De jongen op straat rekt zich, pakt de tak bij de kruin en trekt hem bij de boom vandaan. Als de tak op het wegdek ligt, maakt hij het touw los en sleept het groen de stoep op bij de andere afgehakte ledematen.

Net als de man, draagt de jongen een helm. Ergens achter het grijze vizier van ijzersterk gaas moeten zijn ogen zitten. “Wat zei u?” vraagt hij. Hij buigt een oorklep opzij. “Nee, geen kwestie van leeftijd. Boringen hebben aangetoond dat hij binnenin helemaal zacht is. Gevaar van omvallen dreigde.” Ik kijk naar de holten en vergroeiingen in de bast: tientallen littekens van wonden door auto's geslagen.

Vanuit het korfje tussen het groen klinkt een bevel. De jongen wijst mij een plek waar ik veilig kan staan. Weer slaat de motorzaag aan. Met woedende grommen bijt hij in het hout. Zaagsel sproeit als bloed.

Na een uur staat alleen de gemutileerde stronk nog overeind. Touw en katrol liggen op straat. Het korfje zweeft tot bij de kop van de tronk. Daar maakt de man een inkeping in de bast. Uit de arm van de hoogwerker, hoog boven de boom, zakt een kabel. Ter hoogte van de inkeping slaat de man zijn armen om de boom alsof hij hem omhelst en bindt de kabel vast. Dan zweeft hij drie meter lager. De motorzaag gromt. Het bovenste deel van de stronk is los. Het bengelt aan de kabel en zakt rechtstandig langs de stam. Hout stoot tegen hout: welluidende klanken van een reuzenxylofoon.

Op de stoep ruikt het naar de Veluwe. Er is een klein bos ontstaan. Een bos met bladeren die alle kanten op wijzen. Gedesoriënteerde bladeren gericht naar plaatsen waar de zon het mooist staat.

De man uit het korfje komt naast mij staan: “Nu heb je weer licht in je huisje, hè vrouwtje!”