IRA: lange traditie van afsplitsingen

De IRA kent een lange traditie van afsplitsingen. Het waren steeds kleine groepen die zich niet wilden neerleggen bij het afzweren van geweld.

ROTTERDAM, 17 AUG. Niemand heeft zich verantwoordelijk verklaard voor de aanslag in Omagh, maar vrijwel iedereen gaat er van uit dat de daders moeten worden gezocht onder leden van de 'Real IRA', een splintergroep van het verboden, katholieke Ierse Republikeinse Leger.

De Real IRA is niet de eerste groep die zich van de IRA heeft afgesplitst. In feite is de IRA zelf een afsplitsing van de Irish Volunteers, die in 1919 tegen de Britten vochten voor de onafhankelijkheid van heel Ierland. De naam IRA duikt in die tijd wel af en toe op, maar is dan nog geen officiële organisatie. Het conflict ging over de vraag of Ierse onafhankelijkheid acceptabel was als de zes noordelijke provincies van Ierland, die samen Ulster vormen, daarbij niet betrokken waren.

Het verdrag van 1921 tussen Ierland en Groot-Brittannië, waarin de onafhankelijkheid van Ierland was geregeld, verdeelde de organisatie opnieuw. Sommigen sloten zich aan bij Michael Collins' Free State Army, die het akkoord steunde. Anderen kozen voor de zogeheten 'Irregulars' die zich, onder leiding van Eamon de Valera, tegen het akkoord bleven verzetten.

Deze Irregulars vormden in het begin van de jaren twintig de IRA. Ze zetten de gewapende strijd voort, omdat alleen de 26 zuidelijke provincies onafhankelijk waren geworden en Ulster, waar relatief veel protestanten woonden, een deel bleef van Groot-Brittannië.

De organisatie viel in 1927 opnieuw uiteen. Een deel van de IRA was het niet eens met het besluit van De Valera om toch met zijn partij, Fianna Fail, de constitutionele weg te bewandelen en alsnog zitting te nemen in de Dáil, het Ierse parlement. Met geweld wilde de IRA zich blijven inzetten voor de 'nationalistische' zaak: een verenigd Ierland.

In de tijd tot de jaren zeventig groeide de IRA geleidelijk uit tot een van de best georganiseerde terreurorganisaties ter wereld. De gewelddadige kracht van de organisatie bleek echter pas na 1972. Op 'Bloody Sunday', 30 januari 1972, doodde het Britse leger veertien katholieken die tijdens een van de vele massale, vreedzame demonstraties in die tijd meer burgerrechten eisten. Een half jaar later sloeg de IRA, die de beschikking had gekregen over duizenden kilo's zeer explosief Semtex en in Oost-Europa veel kalasjnikovs had gekocht, terug. Op 'Bloody Friday', in juli 1972, kwamen bij 26 bomaanslagen elf protestanten om.

De tak van de IRA die hiervoor verantwoordelijk was, de 'Provisional IRA', had zich in 1970, vlak na de komst van speciale Britse legereenheden naar Noord-Ierland, afgesplitst van de 'Official IRA'. Van die laatse organisatie zwoer een deel het geweld af en verdween in de Irish Republican Socialist Party. De rest vormde zich om tot de INLA, de Irish Nationalist Liberation Army, die nog steeds bestaat en wordt beschreven als een splintergroep van de IRA die zich niet houdt aan het laatste bestand.

De Provisionals vormden tot 1986 een aangesloten, uiterst gewelddadig front. Daarna ontstond verdeeldheid over de politiek van Gerry Adams, uit de organisatie afkomstig en intussen leider van de politieke tak van de IRA, Sinn Féin. Adams had besloten deel te nemen aan de verkiezingen in de Ierse Republiek. Een deel van de IRA ging met Adams mee. De rest richtte de Continuity IRA op, eveneens een splintergroep die nog steeds bestaat en zich niet houdt aan het bestand.

Vorig jaar ontstond de laatste groep. De 'Real IRA' was woedend over het verloop van de vredesonderhandelingen en de manier waarop Adams opereerde. Deze groep wordt door de Noord-Ierse politie als de gevaarlijkste beschouwd, omdat hij vermoedelijk wordt geleid door de vroegere 'quartermaster-general' van de IRA, een man die toegang had tot de gigantische wapenarsenalen van de IRA.