Gewoon op en neer is er niet meer bij

Toen ik er zo'n tien jaar geleden weer mee begon, deed ik het alleen thuis in de huiskamer. Zeg nou zelf: als man van 25 jaar ga je nou eenmaal niet zo makkelijk weer op straat jojoën.

Vroeger deed ik dat uiteraard wel, maar ja, toen was ik nog een kind. Ik denk dat ik als jochie van tien een half jaartje of zo heb gejojood. Net zo lang als het destijds een rage was. Maar op een gegeven moment heb ik dat ding in de kast gegooid en er daarna nooit meer om gemaald.

Tot ik dus een jaar of tien terug door de V&D liep. Daar zag ik hele mooie doosjes liggen die m'n aandacht trokken. Zaten er jojo's in! Toen heb ik er een paar gekocht. Sindsdien jojo ik weer. En ben ik me er ook echt voor gaan interesseren - er over lezen en zo. Zo kwam ik erachter dat 2.500 jaar geleden die oude Grieken ook al aan het jojoën waren. Waanzinnig!

In de aanloop naar de eerste Nederlandse kampioenschappen oefende ik al gauw zo'n twee uur per dag. Mijn vrouw wordt soms helemaal gek van dat gejojo van mij, maar mijn dochtertje van twee vindt het prachtig. Met die kleine in de buurt is het wel oppassen, want jojoën is een gevaarlijke sport. Als je dat ding een goeie zwieper geeft en hij per ongeluk tegen iemands hoofd komt, gaat die wel tegen de vlakte. Zelf heb ik hem eens keihard tegen mijn kin gehad, toen-ie onverwachts omhoog sprong. En als het touwtje breekt, heb je echt te maken met een gevaarlijk projectiel.

Bij wedstrijden moet je allemaal trucs laten zien. Die worden dan beoordeeld door een jury. Nee, gewoon op en neer zoals vroeger is er niet meer bij.

    • Paul de Lange