De krant van Hermans' oma

Hermans-magazine. Jrg. 7, nr. 27, juni 1998. Prijs ƒ 12,50/Bfr 250.

In 1984 bezoekt socioloog Bart Tromp samen met W.F. Hermans een congres in Venetië over 'de cultuur van Europa'. Op een gegeven moment nodigt de schrijver Tromp uit om samen het graf van Tine, de eerste vrouw van Multatuli, te gaan bekijken op San Michele, het begrafeniseiland voor de kust van de stad. Daar aangekomen treft het tweetal de grafsteen aan, overwoekerd met mos. Dus halen ze een emmer met water en een borstel en beginnen de steen om beurten schoon te schrobben. Als Hermans aan de beurt is op de steen draait hij zich plotseling om 'als door een stroomstoot getroffen' en zegt tegen Tromp: “Jij gaat toch geen foto van mij maken?”

Deze minieme anekdote staat in het laatste nummer van het Hermans-magazine; de redactie heeft hem weer overgeschreven uit Bart Tromps Tegen het vergeten (1997). Het lijkt een weinig bijzondere gebeurtenis, maar wie het Magazine doorbladert begrijpt dat de redactie moet genieten van zo'n verhaal. Alleen de gedachte aan de foto al - Hermans, vast in hemdsmouwen, boenend, op z'n knieën op de grafsteen van de vrouw van Neerlands grootste schrijver - moet hen het water in de mond doen lopen. Bovendien zal de situatie ze bekend voorkomen: de redactie, bestaande uit de oud-Propria Cures-redacteuren Dirk Baartse en Bob Polak, is sinds Hermans' dood in 1995 ook voornamelijk bezig het graf van de bewonderde auteur vrij te houden van mos een aanslag. Dat zo'n klus niet gaat zonder een vorm van heiligverklaring merk je aan details: het onderwerp van adoratie wordt in redactionele bijdragen bijna consequent aangeduid met 'WFH', wat op een gegeven moment associaties met INRI begint op te roepen, zeker als het Magazine het nieuw opgerichte Willem Fredrik Hermans Instituut alvast begint met WFHI begint af te korten.

Natuurlijk is Hermans in het Hermans-magazine het centrum van het universum: alles wat ook maar enigszins met de schrijver te maken heeft, is het vermelden waard. Dat varieert van het bericht dat Het Nieuws van de Dag is opgeheven (relevant voor het magazine omdat WFH's grootmoeder die krant las), het overlijden van de Franse vulkaan-expert Haroun Tazieff (van wie Hermans ooit het boek Kraters in lichterlaaie vertaalde) tot het signalement van de bespreking, in de Volkskrant, van een boek over de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, waar Hermans lid van was. Dat de schrijver in het boek verder niet voorkomt doet er op dat moment al niet meer toe - de band met Hermans rechtvaardigt vermelding.

Aanvankelijk roept zo'n extreem vernauwde blik op de wereld bij de niet-gelovige lichte ergernis op, maar bij nadere lezing krijgt het iets aangenaams: de wereld wordt er overzichtelijk van, zoals bij ieder geloof eigenlijk. En dat geldt helemaal voor dit specifieke nummer van het Magazine, omdat het grotendeels gewijd is aan één huis: Spilsluizen 17a in Groningen, de woning die Hermans in maart 1953 betrok, een half jaar nadat hij als assistent fysische geografie was aangesteld aan de plaatselijke Rijksuniversiteit.

Over dit huis komen we in het Hermans-magazine zo goed als alles te weten. Er staan vier bouwtekeningen afgedrukt van de architecten P. van der Wint en L. van der Zee, een impressie van het huis door een jeugdvriend van Hermans' zoon Ruprecht, die er ooit logeerde, en een korte beschouwing over Hermans en zijn buren, toegespitst op de relatie met Sijne Barend Hooghoudt, directeur van de gelijknamige destilleerderij en eigenaar van Spilsluizen 17a. Hermans spande ooit een kort geding tegen zijn huiseigenaar aan, omdat die de schrijver verbood zijn fiets in de gang van het huis te stallen. De gang bleek echter niet in het huurcontract opgenomen en Hermans verloor de zaak - in Bob Polaks bijdrage sijpelt het verdriet over het feit dat dit dossier niet meer bestaat door.

Gelukkig weet het Magazine nog wel te melden, via collega-tijdschrift De Parelduiker, dat Hermans-vorser Rob Delvigne in het Gemeente-archief van Amsterdam een onbekend verhaal van Hermans heeft teruggevonden: 'De schoorsteenveger'. Hermans stuurde het in 1951 in voor de Proza-prijs van de gemeente Amsterdam, maar won er niks mee. Volgens de jury 'coquetteert (de auteur) met provocerende brutaliteit en quasi-realistische détails'. Hoe aardig het Hermans-magazine ook is, zó'n verhaal had ik er nu nog graag in gelezen.