Tussen slavernij en escape

HET MEANDER COLLEGE in Zoetermeer. Economieleraar Bhagwanbali gaat me voor door schoolgangen waar groepjes leerlingen rondhangen. We gaan een kamer binnen met kantoormeubilair en een kunstplant. Radjinder Bhagwanbali (48) is van origine Surinaams: bril, spijkerbroek en wit T-shirt met de opdruk: Martinique. “Ik geef hier sinds 1986 marketing en management.” Hij is afgestudeerd als historicus, econoom en socioloog. Zijn proefschrift Contracten voor Suriname gaat over de werving van Hindoestaanse contractarbeiders in India tussen 1873 en 1916.

“Een tweede boek, dat ik dit jaar nog wil uitgeven, gaat over wat er in Suriname met hen is gebeurd in die periode. Ook mijn grootouders kwamen als contractarbeider vanuit India naar Suriname en mijn ouders werden al jong aan elkaar uitgehuwd. Toen ik kind was, woonden we aan de rand van Paramaribo. Ik heb acht broers en vier zussen. We hadden het niet breed, maar er was zorgzaamheid. Al op de middelbare school boeide de geschiedenis van mijn voorouders me gigantisch. Je hoort twee visies: de kritische noemt contractarbeid een verkapte vorm van slavernij. Ook op de herdenkingsfeesten hier op 4 en 5 juni hoor je de treurzang dat wij afstammen van slaven. De nieuwere academische visie stelt dat het zo erg niet was. Ik wilde onderzoeken wie es eigentlich gewesen ist.”

“Je kunt niet ongenuanceerd zeggen dat het een uitbuitingssysteem was, maar ook niet dat het perfect was. De mensen zelf zijn nooit aan het woord geweest. Daardoor weet je amper of ze in India perspectieven hadden. Ze kwamen uit door rampspoed getroffen gebieden, arm en werkloos, en werden overgehaald om op plantages te werken. Er speelden ook sociale motieven: het kastenstelsel. Voor mensen onderaan de sociale ladder was het een escape-mogelijkheid.”

Suriname werd in 1667 door de Nederlanders op de Engelsen veroverd. Contractarbeid werd ingevoerd nadat in 1863 de slavernij werd afgeschaft. Als overgangsregeling werden de creoolse slaven verplicht tien jaar als loonarbeiders te blijven. Bhagwanbali: “Men begon te experimenteren welke arbeiders geschikt waren als plaatsvervangers. Chinezen lieten zich niet onderwerpen. In het naburige Brits-Guyana ging het goed met Hindoestanen, zodat met de Engelse autoriteiten werd onderhandeld. Het eerste schip kwam in 1873 aan, in 1916 werd het systeem afgeschaft onder druk van Indiase Nationalisten. In totaal gingen 34.000 Hindoestanen naar Suriname, waarvan éénderde terugkeerde naar India. Creolen keken op hen neer, vandaar de scheldnaam koelie. Ze vonden Hindoestaan gierig, traditioneel en familiegebonden. Hindoestanen op hun beurt keken op Creolen neer, omdat ze hun cultuur verloren hadden en vernederlandst waren.

De Hindoestanen brachten rijst mee, dat de plaats innam van cassave en bananen en voor Suriname een extra exportmiddel werd. Ze verkochten de rijst die hun stukje grond opleverde aanvankelijk via tussenhandelaren, maar later zelf. Zo kregen ze de markt in handen, verdienden ze geld en konden ze hun kinderen laten leren. Ze drongen door in alle geledingen van de samenleving en namen de landbouw over van de creolen, die de ambtenarij in gingen. Nu vormen de Hindoestanen de meerderheid, daarna komen de Creolen, Javanen, Bosnegers en de Chinezen.''

Bhagwanbali kwam in 1979 naar Den Haag om zijn MO-Geschiedenis af te ronden. In 1982 stuideerde hij aan de Utrechtse Universiteit af als historicus. “Ik werkte als onderwijzer en kreeg onbetaald vrij voor colleges: sprinten van Den Haag naar Utrecht, een hectische tijd. Mijn scriptie ging over Hindoestaanse migratie. Een hoogleraar zei: 'Wist je dat die contractarbeid nooit is onderzocht, ook niet in India of Suriname?' Vanaf dat moment was het raak: Dit moet ik uitzoeken. In 1983 keerde ik terug naar Suriname. Het land had academici nodig. Ik dacht: hier heb ik een grote bek over Suriname; ga terug om het land te helpen opbouwen. We bouwden een huis buiten Paramaribo, ik ging lesgeven op het Miranda collega en de lerarenopleiding. Intussen werkte ik aan mijn promotie. In 1986, toen Brunswijk die aanval deed op Mungo en ik me niet meer veilig voelde door de politieke strubbelingen, ben ik hals over kop teruggaan naar Nederland.”

Vanwaar die gedrevenheid, afstuderen in drie richtingen en promoveren? “Als je in een land terechtkomt waar zoveel faciliteiten zijn om je leervermogen te toetsen, moet je dat ook doen. En als je met het ene bezig bent, word je nieuwsgierig naar het andere. Je voelt je in Nederland, en ook wel in Suriname, in een ondergeschikte positie. Als je je door titels kunt verheffen, doe je dat.In Suriname was je in de jaren vijftig een heel hoge piet als je een titel had.”

Een week later bezoek ik hem thuis in Rijswijk. Naast de voordeur een koperen naambord: Dr. drs. R. Bhagwanbali. In de woonkamer bevinden zich op een dressoir grote foto's van zijn kinderen en fletse portretjes van ouders. Er staan leren banken en een grote televisie op een blauwglanzende tegelvloer. Radjinder vertelt dat zijn vrouw Asha ook Hindoestaans is: “We zijn in dezelfde straat opgegroeid. Mijn voorouders komen van het platteland in Utah Pradesh. Volgens mijn broer, die er geweest is, zijn er nog familieleden van ons.”

Is er met al dat studeren nog tijd overbleven voor zijn gezin? “Je moet keuzen maken, maar wel in overleg, anders krijg je strubbelingen. Mijn vrouw zei: laat mij maar thuis blijven, de kinderen vind ik belangrijker dan wat extra inkomen. We hebben een sober leven geleid. Ik heb in totaal 12 maanden onbetaald verlof genomen. Dat hebben we met een lening gefinancierd. Ik moet nog een voorwoord schrijven voor het tweede boek, maar ga eerst uitrusten. Mijn vrouw en ik zijn nog jong. We willen wat ronddartelen in danstentjes. Op feestjes gaan we soms tot in de ochtenduren door. Ik geef lezingen, ga artikelen publiceren, maar heb me teruggetrokken als directeur van een landelijke organisatie voor Hindoestanen.”

Zijn vrouw Asha en dochter Renushka komen er bij zitten. Renushka: “Meestal kwam hij laat thuis en was hij gelijk weer bezig. Ik had er geen last van, wel vind ik het jammer dat we al vier jaar niet op vakantie zijn geweest.”

Asha: “Als hij bezig is, zegt hij overal ja op. De kinderen mochten uit en kregen geld. Aan ontspanning deed hij niet. Nu bemoeit hij zich weer met het gezin. Wat mij betreft mag hij weer wat doen, maar niet zoals voorheen. Als hij iets in zijn hoofd heeft, doet hij dat 't liefst alleen, net als de tuin, die had hij nooit gedaan.”