'Trojka' wil radicale islam indammen

Rusland, Tadzjikistan en Oezbekistan zijn bezorgd over de successen van de Talibaan in Afghanistan. Die stimuleren de opkomst van het fundamentalisme in Centraal-Azië. Dat is echter de enige islamitische regio in de wereld waar dit weinig kans maakt.

ROTTERDAM, 15 AUG. De deze week gemelde vrees voor een uitbreiding van het islamitische fundamentalisme naar Rusland en de vijf Centraal-Aziatische ex-Sovjet-republieken (Kazachstan, Oezbekistan, Tadzjikistan, Kirgizië en Turkmenistan) is niet nieuw: Rusland, Oezbekistan en Tadzjikistan vormden eerder dit jaar al een 'trojka' om samen het gevaar van de radicale islam in te dammen. Kirgizië wil zich daarbij aansluiten. De opmars van de Talibaan in Noord-Afghanistan heeft deze trend deze week in een versnelling gebracht. Rusland gaat zijn troepenmacht van 25.000 man langs de Tadzjieks-Afghaanse grens versterken en - op verzoek van de Tadzjiekse regering - andere veiligheidsmaatregelen nemen. Oezbekistan heeft zich zelfs tot de VN gewend om een 'interventie' die een eind zou moeten maken aan de strijd in het noorden van Afghanistan.

Dat in Moskou en Centraal-Azië met verwijzing naar het naderende moslim-fundamentalisme zo nadrukkelijk de alarmklok wordt geluid, is bevreemdend. Want het moslim-fundamentalisme heeft zich in Centraal-Azië nog nergens geroerd en zal dat ook niet doen - ongeacht wat in Afghanistan gebeurt - zolang zich in een land als Oezbekistan, religieus gezien veruit het belangrijkste land van Centraal-Azië, geen grote rampen voltrekken.

De (soennitische) islam heeft in Centraal-Azië een glorieuze geschiedenis sinds het grootste deel van de regio, inclusief de dichtbevolkte Fergana-vallei en de Oezbeekse steden Boechara en Samarkand, begin achtste eeuw door de Arabieren werd veroverd. Maar die islamitische geschiedenis verschilt aanzienlijk van die van de islam in het Midden-Oosten.

In de eerste plaats heeft de islam in de vijf huidige Centraal-Aziatische republieken in het verleden nooit maatschappelijk de dienst uitgemaakt: de wetten van de wereldlijke heersers, de emirs, waren altijd belangrijker dan de godsdienstige wetten. In de tweede plaats is de islam nooit in zijn puurste vorm beleden. In de meeste Centraal-Aziatische landen, vooral in Kirgizië en Kazachstan, heeft de bevolking tot voor kort (en ten dele doet ze dat nog) bestaan uit nomadische herders, die zich wel als moslims beschouwen, maar de islam hebben vermengd met hun eigen culturele gebruiken, pre-islamitisch volksgeloof en soefi- en sjamanistische tradities. Naar de moskee gingen en gaan die nomaden slechts zelden, ze eten varkensvlees en drinken alcohol - vroeger kumis (gefermenteerde merriemelk), nu wodka - en hun vrouwen spelen geenszins de rol die hun in de traditionele islam is toegedacht. In Kazachstan en Kirgizië zijn veel moslims pas eind vorige eeuw bekeerd. In Kirgizië, Kazachstan en Turkmenistan hebben de meeste moslims bovendien maar een zeer oppervlakkige kennis van de islam. Tot 1989 bestond er in de Turkmeense hoofdstad Asjchabad zelfs geen fungerende moskee en was de Koran zelfs nog niet in het Turkmeens vertaald.

Pagina 5: Geen gevaar fundamentalisme in Centraal-Azië

De maatschappelijke rol van de islam is in Centraal-Azië altijd zwak geweest. Familie-, clan-, stam-, regionale en etnische tradities spelen een veel grotere rol dan de islam als het gaat om het bepalen van de eigen identiteit. De enige uitzonderingen zijn de Fergana-vallei in Oezbekistan, centrum van islamitische wetsgeleerdheid sinds meer dan duizend jaar, en Tadzjikistan.

Eind 1991 viel het Sovjet-communisme, werden de vijf Centraal-Aziatische republieken onafhankelijk en kwam er een eind aan zeventig jaar van onvrijheid. Overal in de Centraal-Aziatische republieken schoten de moskeeën uit de grond, veelal gefinancierd door Saoedi-Arabië en de oliesjeikdommen. Communistische leiders trokken een democratisch jasje aan en bleken plotseling godsdienstig: ze gingen naar Mekka en spoelden flink wat religieuze uitlatingen door hun toespraken. Gelovigen konden ter moskee, hier en daar werd zelfs het Arabisch op het leerprogramma gezet en de Koran mocht worden aangeschaft, gelezen en geprezen.

Het werd het begin van een opleving van de islam. Maar die opleving bleef beperkt door het ontbreken van diepgang in de godsdienstbeleving - resultaat van bovengeschetste culturele en historische omstandigheden plus zeventig jaar van Sovjet-onderdrukking. De kadi van de grootste moskee in Turkmenistan klaagde onlangs dat 99 procent van de jongeren zich niet voor de islam interesseert. Waar, zoals in Oezbekistan, jongeren kunnen kiezen tussen Engels en Arabisch, kiezen ze Engels.

Bovendien werd (en wordt) de opleving in alle vijf de republieken zeer zorgvuldig door de leiding gemanipuleerd. Na interessante maar kortstondige experimenten met de democratie zijn de vijf republieken anno 1998 solide dictaturen waarvan de leiders de islam gebruiken om hun eigen legitimiteit te bevorderen. Ze doen wat islam in hun toespraken, maar zien er nauw op toe dat de rol van die islam in dienst staat van de vorming van een nationale identiteit en van hun eigen regime en nooit uitgroeit tot een kristallisatiepunt voor politieke alternatieven. De islam wordt bevorderd, maar in strikt gecontroleerde doses. Men mag moskeeën bouwen en bezoeken, de Koran drukken en lezen en het islamitische verleden verheerlijken, maar wel binnen van boven bepaalde en gecontroleerde grenzen. De islam moet in dienst van land en leider staan. Daarbij komt nog dat de aanwezigheid van grote niet-islamitische minderheden (die vaak de elite leveren) in landen als Kazachstan en Kirgizië belemmerend werkt op de groei van de maatschappelijke betekenis van de islam.

Nergens in Centraal-Azië beschikken godsdienstig geïnspireerde dwarsliggers - als ze er al zijn - over het kader, de steun, het organisatorische netwerk, de financiële middelen of de visie om uit te groeien tot een zelfs maar in potentie gevaarlijk alternatief voor de huidige machthebbers. De enige uitzondering is Tadzjikistan, dat een langdurige burgeroorlog achter de rug heeft tussen enerzijds het communistische bewind en anderzijds een coalitie van democratische en islamitische partijen. Die burgeroorlog liep vorig jaar uit op een vredesakkoord dat voorziet in een machtsdeling.

Maar zelfs hier is in de nu mederegerende Partij van Islamitische Wedergeboorte geen sprake van fundamentalistische invloeden: de partij wordt geleid door jonge stedelingen, niet door geestelijken, ze wijst de anti-Westerse politiek van fundamentalisten elders van de hand, is in godsdienstig opzicht tolerant, deelt de eisen van democratische partijen ten aanzien van mensen- en burgerrechten en eist ook geen islamitische staat. Bij demonstraties van deze partij is in Tadzjikistan nooit opgeroepen tot zo'n islamitische staat of tot intolerantie jegens andere godsdiensten.

In de meeste Centraal-Aziatische republieken bestaan zelfs geen islamitische partijen. In Oezbekistan zijn ze bij wet verboden. Tadzjikistan is een uitzondering, hoewel het parlement eind mei wel een verbod uitvaardigde van religieuze partijen en partijen die vanuit het buitenland worden gefinancierd. De leider van de Partij van Islamitische Wedergeboorte, Said Abdoello Noeri, eiste afschaffing van de wet. Hij kreeg zijn zin niet. Maar aan de andere kant is zijn partij ook niet verboden.

Ook politiek maakt het moslim-fundamentalisme met zijn oproepen tot verzet tegen het Westerse imperialisme geen kans. De vijf landen mogen autoritaire regimes hebben, ten aanzien van de kant waarheen men moet kijken komen de opvattingen van de leiders en de bevolking overeen: men kijkt er voor de toekomst niet meer, zoals in het begin, naar Turkije en men kijkt al helemaal niet naar het islamitische Midden-Oosten: van die kant valt niets te verwachten.

Men kijkt wèl naar het Westen (de VS voorop), het Verre Oosten (China, Japan en Zuid-Korea) en Rusland, de traditionele handelspartner. Anti-Westerse leuzen maken hier niets los.

Tegen deze achtergrond is het vreemd de heersers van Centraal-Azië van tijd tot tijd te horen waarschuwen tegen het gevaar van een oprukkend islamitisch fundamentalisme of, zoals nu, het gevaar dat zou uitgaan van de Talibaan in het naburige Afghanistan.

De Turkmeense president en alleenheerser, Saparmoerat Nijazov, de meest uitgesproken dictator van de regio, zei onlangs zelfs elke fundamentalist met plezier zelf te willen doodschieten. Maar aanwijzingen voor die gemelde opleving ontbreken en ook in Nijazovs Turkmenistan zingt de islamitische clerus luid en dagelijks de lof van de president. Alleen in Oezbekistan zijn er fundamentalisten veroordeeld: in augustus kregen drie moslims tien, negen en vijf jaar gevangenisstraf wegens propagering van het wahabisme, de conservatieve islamitische stroming die in Saoedi-Arabië domineert. Een maand eerder werd een fundamentalist ter dood veroordeeld, maar dat was wegens moord op vijf politiemannen (uit religieuze motieven); zeven anderen kregen lange straffen wegens onder andere (maar niet alleen) het ophitsen tot religieus extremisme.

Waarom dan toch de ophef - nota bene over de Talibaan, die geen enkele zendingsdrang buiten hun eigen land aan de dag leggen? Het is niet zozeer een uit Afghanistan overwaaiend fundamentalisme dat de alleenheersers in Centraal-Azië verontrust.

Veel meer zorgen baren andere gevaren: de wapen- en drugssmokkel, een vluchtelingenstroom uit Afghanistan en een overslaan van etnische conflicten (in Afghanistan wonen vier miljoen Tadzjieken, méér dan in Tadzjikistan, 800.000 Oezbeken en veel Turkmenen en Kirgiezen).

Verder past het luiden van de alarmklok voornamelijk in het schema van het scheppen van een denkbeeldig gevaar als aardig alibi voor het vergroten van de binnenlandse controle en de nationale eenheid en het versterken van de eigen presidentiële legitimiteit. De Turkmeense president Nijazov - dezelfde die elke fundamentalist persoonlijk wil doodschieten - zei twee jaar geleden dat het “belachelijk” is te denken dat het fundamentalisme zijn land zou kunnen bedreigen. Dat is het nog steeds, alleen roept Nijazov nu iets anders.

Dat Rusland aan het alarmerend geroep over het fundamentalisme meedoet is niet verwonderlijk. Het wil immers ook in dit deel van het 'nabije buitenland' - de vroegere Sovjet-republieken - zijn politieke en economische invloed handhaven en gebruikt daarom het vermeende gevaar van het oprukkende fundamentalisme graag als alibi en instrument: het zijn Russische troepen die in het verre Tadzjikistan de grens met Afghanistan bewaken, en die troepenmacht, zo werd deze week in Moskou bekendgemaakt, wordt snel uitgebreid nu de Talibaan Noord-Afghanistan veroveren. De fundamentalistische Talibaan zijn aldus per saldo niet zonder nut voor Moskou.