Scepsis onder Palestijnen over eigen staat neemt toe

De stichting van een onafhankelijke Palestijnse staat is dichterbij dan ooit. Maar beginnen de Palestijnen uitgerekend op dit moment zelf te twijfelen? “Gaza, en zes steden in de Westelijke Jordaanoever - wat is dat voor staat, versnipperd door joodse nederzettingen en wegen, zonder enige bewegingsvrijheid?”

JERUZALEM, 15 AUG. Op een etentje in Gaza zegt de directeur-generaal van een Palestijns ministerie: “Ik geloof niet meer in een onafhankelijke Palestijnse staat. Alles wat Israel ons wil geven, is een paar vierkante meter hier en een paar vierkante meter daar. Dat is geen staat, dat zijn Bantoestans!”

Ook een Palestijnse onderminister, een Oslo-veteraan die enige jaren geleden nog vast geloofde in de creatie van een Palestijnse staat, ziet het niet meer voor zich: “Gaza, en zes steden in de Westelijke Jordaanoever - wat is dat voor staat, versnipperd door joodse nederzettingen en wegen, zonder enige bewegingsvrijheid? We moeten maar weer terug naar het oude idee van de bi-nationale staat: één staat voor joden en Palestijnen, gezamenlijk bestuurd.”

De stichting van een onafhankelijke Palestijnse staat is dichterbij dan ooit. PLO-leider Yasser Arafat heeft aangekondigd haar op 4 mei 1999 uit te roepen. Zelfs in Israelische regeringskringen, waar het onderwerp 'Palestina' altijd taboe was, wordt er dagelijks over gediscussieerd. De kranten staan er bol van. Analisten zijn het erover eens dat de meeste landen ter wereld 'Palestina' zullen erkennen. En uitgerekend nu niemand meer om dat historische moment heen lijkt te kunnen, willen de Palestijnen het zelf niet meer?

“Het is de ultieme ironie”, bevestigt Ghassan Khatib, directeur van het Jerusalem Media and Communication Center. “Zelfs nu Israeliërs en buitenlanders in Palestina beginnen te geloven, beginnen de Palestijnen te twijfelen aan die staat.” Volgens hem is de scepsis vooral onder intellectuelen en de Palestijnen in de diaspora groeiende. De intelligentsia, omdat zij van begin af aan tegen de vredesakkoorden van Oslo was: zij vonden, en vinden, dat Arafat in het huidige vredesproces te veel principes aan Israel opoffert.

De miljoenen Palestijnen in de diaspora, onder wie veel vluchtelingen die sinds 1948 of 1967 in kampen in naburige landen wonen zonder enig vooruitzicht op terugkeer, voelen zich buitengesloten - de stichting van de staat Palestina biedt hun geen soelaas. Het idee van de bi-nationale staat maakt ook opgang onder een derde groep, de Israelische Arabieren: die willen, eeuwig geplaagd door een dubbele loyaliteit, straks niet kiezen tussen Israel en Palestina.

“In 1948”, zegt Khatib, “toen Israel werd gesticht, begonnen wij onze strijd met de eis: Israel moet verdwijnen en in plaats daarvan moet er één staat komen waar ook joden mogen wonen. Een bi-nationale staat. Voor Israel was dat niet acceptabel: als Palestijnen zo'n staat mede-besturen, is er immers geen joodse staat meer, geen exclusief 'joods tehuis'. Nu zijn we uit die hoge boom der dromen geklommen, pragmatisch geworden. We accepteren de staat Israel als wij daarnaast, enkel in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, een eigen staat kunnen vestigen. En wat hebben we nu? Zestig procent van Gaza, en vijf procent van de Westelijke Jordaanoever onder exclusieve Palestijnse controle. Veel meer zal dat niet worden. We kunnen niet vrij van de ene stad naar de andere reizen. Overal zijn Israelische checkpoints. Dus vragen mensen zich gedesillusioneerd af: wat is het waard?”

Het is niet zeker of Arafat zijn belofte (Israel ziet het als 'dreigement') ook uitvoert, volgend jaar mei. Door een eigen staat uit te roepen loopt hij het risico dat Israel, als respons, het vredesproces stopzet. Dan heeft Arafat een versplinterd mini-staatje, omsingeld door Israelische tanks, aan alle kanten gesaboteerd door Israel - de machtige buur, wiens medewerking de Palestijnen nu eenmaal nodig hebben om te kunnen reizen, handel te drijven, enzovoorts. Ook voor water, elektriciteit, telefoon en andere voorzieningen zijn ze afhankelijk van Israel. Velen vrezen dat de Palestijnen dan maar een manier overblijft om de impasse te breken: geweld.

“Als Arafat de staat niet uitroept”, zegt Riad Malki van de denktank Panorama in Ramallah, “kan hij als 'beloning' wat extra land van Israel krijgen. De tweede grote troepenterugtrekking, bijvoorbeeld, uit 13 procent van de Westelijke Jordaanoever, het Amerikaanse plan dat nu al maanden op Israelische weerstand stuit. Ik geloof dat hij 'Palestina' als troefkaart gebruikt, om Israel onder druk te zetten het Amerikaanse plan te accepteren.”

Ook Malki signaleert toenemende scepsis onder de Palestijnen over de eigen staat. Onder sommige Israeliërs, zelfs: vorig jaar werd er in een hotel in Jeruzalem een conferentie gehouden over het oude Palestijnse idee om weer naar een bi-nationale staat te streven, georganiseerd door een linkse Israeliër die wegens zijn pro-Palestijnse sympathieën nauwelijks respect onder zijn landgenoten geniet. En op een vergadering, laatst, opperde iemand die bi-nationale optie zelfs waar Arafat bij was. Arafat begon te lachen en riep: “Mijn Fatah-partij lanceerde dat plan in de jaren zestig! Jammer, jullie zijn er te laat mee!”

Voor Arafat, zeggen ingewijden, is de bi-nationale staat van de baan. Hij weet dat er met Israel niet over te praten valt. En symbolen betekenen veel voor hem. In 1988 riep hij, in ballingschap, al een eigen staat uit, zonder maar een centimeter land onder controle te hebben. Hij wordt bovendien oud, en wil voor zijn dood de Palestijnen geven wat hij ze heeft beloofd: Palestina. Dat is de reden dat hoge functionarissen in zijn Zelfbestuur, zoals de directeur-generaal op het etentje in Gaza en de onderminister, slechts binnen de veilige muren van hun huis lucht willen geven aan hun frustratie over 'Palestina'. In officiele capaciteit weigeren ze over de bi-nationale staat te praten.

“Ik ben ervan overtuigd dat Palestijnen die zeggen dat ze terug willen naar de bi-nationale staat, het echt menen”, zegt Ghassan Khatib. “De frustratie over het stagnerende vredesproces is groot. Maar anderen gebruiken het om Israel onder druk te zetten. Zo van: als jullie ons niet meer land geven, gaan wij weer pleiten voor de vernietiging van de staat Israel. Ik weet dat dit argument tijdens de onderhandelingen weleens wordt gebruikt.”

Dat drukmiddel kan helpen, weten Palestijnen. De reden dat de voormalige premier van Israel, Shimon Peres, de afgelopen jaren het 'nut' van een onafhankelijke Palestijnse staat begon in te zien, en met de PLO in Oslo begon te onderhandelen, was immers dat hij geen heil zag in de andere manier om de bezetting te beëindigen: drie miljoen Palestijnen in Israel absorberen, in een bi-nationale staat met gelijke rechten voor iedereen. Op een dag zouden de Palestijnen, met hun explosieve bevolkingsgroei, weleens een meerderheid kunnen krijgen in de Knesset, of zou een Palestijn president kunnen worden van Israel. In Peres' logica is de stichting van een Palestijnse staat een voorwaarde voor het voortbestaan van een democratisch, joods Israel.

Al zijn er geen opiniepeilingen naar gedaan, vooralsnog lijken de nieuwe Palestijnse voorstanders van de bi-nationale staat niet in de meerderheid. Zelfs Khatib en Malki, niet bepaald voorstanders van Arafats huidige Oslo-koers, willen niets van de bi-nationale staat weten. “Het is terug naar af”, zegt Malki. “De weg naar de verschrikking. Hoe petieterig het toekomstige Palestina ook mag zijn, we krijgen voor de tweede keer sinds 1947 de historische kans een staat te vestigen (toen verwierpen de Palestijnen het VN-verdelingsplan) en ik vind dat we die moeten grijpen. Anders krijgen we de kans nooit meer.”