Orka's eetlust; BIOLOOG KASTELEIN BRENGT VOEDSELCONSUMPTIE ZEEZOOGDIEREN IN KAART

Wat nuttigt een orka per jaar? En een walrus? Bioloog Ron Kastelein bracht de voedselconsumptie van zeventien soorten zeezoogdieren nauwkeurig in kaart. Handig voor dierentuinen en bij het vaststellen van visquota.

EEN ORKA KAN tienduizend kilo wegen en consumeert jaarlijks zes keer zijn lichaamsgewicht aan voedsel. De orka is een van de zeventien soorten zeezoogdieren waarvan bioloog Ron Kastelein twaalf jaar lang de voedselconsumptie en groei bestudeerde. Hij werkt bij het dolfinarium in Harderwijk en promoveerde onlangs aan de Landbouw Universiteit Wageningen op zijn vuistdikke proefschrift Food consumption and growth of marine mammals. Voor dierentuinen is het handig om te weten hoeveel een dolfijn of zeehond eet, en of sterke afwijkingen reden zijn tot bezorgdheid. En ook voor het beheer en behoud van zeezoogdieren komen de resultaten van pas. “Bijvoorbeeld als je vangstquota voor de visserij wilt vaststellen”, zegt Kastelein. “Tot dusver schat men de dagelijkse voedselbehoefte van zeezoogdieren op zes procent van het lichaamsgewicht. Daarbij maakt men geen onderscheid tussen soorten, geslachten, seizoenen. Terwijl de verschillen groot kunnen zijn.”

LICHAAMSGEWICHT

Kastelein bestudeerde negen soorten tandwalvissen en acht soorten vinpotigen (zeehonden, zeeleeuwen, walrussen). Hij hield de robben en tandwalvissen in Harderwijk jarenlang in de gaten en onderzocht welke factoren hun eetlust beïnvloeden. Bovendien schakelde hij wereldwijd dolfinarium-oppassers in die bijhielden hoeveel hun dieren aten, aankwamen of afvielen. Bij tandwalvissen is het lichaamsgewicht van invloed op de eetlust. Een orka is zwaarder dan een dolfijn en verzwelgt meer voedsel, maar eet per kilo lichaamsgewicht minder. Met zijn grote lichaam is hij warmte-efficiënter. Reuzen als orka's kunnen daardoor langer op hun vetvoorraad teren dan kleine walvissoorten en hebben dus minder last van visschaarste dan dolfijnen. Commerson dolfijnen, die dertig à veertig kilo wegen, verstouwen elke dag gemiddeld rond de tien procent van hun gewicht. De duizenden kilo's wegende beluga's en orka's eten dagelijks slechts een procent of twee van hun lichaamsgewicht. Uitgezet in een grafiek vertonen die percentages een dalende lijn; eerst steil maar bij een toenemend lichaamsgewicht steeds flauwer dalende lijn. Op grond van die grafiek durft Kastelein voorspellingen te doen over soorten die hij niet onderzocht. “Een potvis van dertig ton zal dagelijks maximaal één procent van zijn lichaamsgewicht eten. Per jaar is dat zo'n honderd ton vis.”

De grafiek is gemaakt op grond van de gegevens van 78 walvissen, verdeeld in negen soorten. Hoe groter de walvis, des te minder hij verhoudingsgewijs eet, maar tussen sommige soorten klopt die trend niet. Hoewel de orka zwaarder is dan de beluga, eet hij meer per kilo lichaamsgewicht. De bruinvis, nog kleiner dan de Commerson dolfijn, verbruikt ook naar verhouding minder voedsel. Dat komt door andere factoren, zoals de lichaamsvorm.

Hoe ronder een lichaam, des te minder warmte het verliest en hoe minder voedsel het nodig heeft. Het oppervlak van een bol lichaam is immers klein in verhouding tot het lichaamsvolume. De slanke Amazonedolfijn zou dus meer voedsel per kilo lichaamsgewicht nodig hebben dan de bolle beluga. Maar je kunt nog zo bol zijn, een lange staart of slanke vinnen doen het effect weer te niet. Als een walvis actief is, kan de afgifte van lichaamswarmte wel voor tachtig procent via de vinnen gaan. Warmte-isolatie is van invloed op voedselopname. Soorten met een dikke vetlaag nemen doorgaans met minder voedsel genoegen, vooral als die vetlaag een hoger lipide-gehalte heeft, dus vetter is. Je zou daarom verwachten dat zo'n dikhuid minder voedsel nodig heeft, naarmate zijn dieet vetter is. Dat kon Kastelein echter niet vaststellen. Orka's en beluga's, die vette vis als haring en makreel lusten, eten niet minder dan de Amazonedolfijn die magere vis prefereert.

Watertemperatuur heeft volgens Kastelein weinig invloed op de eetlust. De Amazonedolfijn, die in water van 28 graden leeft, eet per kilo lichaamsgewicht nauwelijks minder dan de beluga, die zich in water van twaalf graden prettig voelt. Nu kan het zijn, erkent Kastelein, dat het effect van het warme water het lage vetgehalte van het voedsel compenseert, bij de Amazonedolfijn althans. Maar ook de donkergestreepte dolfijn zwemt rond in warm water (24 graden), terwijl hij evenveel eet als de beluga.

LUIEREN

Van grote invloed is het gedrag van de soort. De Californische zeeleeuw is even zwaar als de gewone zeehond, maar veel beweeglijker. Zeeleeuwen duiken steeds in zee, spelen met elkaar, terwijl zeehonden vaak op het droge liggen te luieren. En daarvoor heb je weinig voedsel nodig.

Verschillen tussen mannen en vrouwen binnen de soort zijn er vooral bij vinpotigen. De mannetjes vechten om territoria en vreten zich enkele weken vol als voorbereiding op hun strijd. Dat loont, want de zwaarste stieren versieren de meeste vrouwtjes. Ze meten hun krachten door hun logge lijf op te richten en tegen de rivaal aan te laten dreunen. Ze zijn continu bezig met het veroveren en bewaken van hun territorium en harem. Het jagen en eten schiet erbij in. Een zee-olifantenstier kan vijftienhonderd kilo wegen als de paartijd begint, en valt tijdens de paartijd weer vierhonderd kilo af.

Zeehondenvrouwen vasten eveneens, en wel tijdens de zoogperiode. Die is erg kort. In drie weken, bij sommige soorten zes weken, moeten baby-zeehonden genoeg vet krijgen om zich zonder moeder te kunnen redden. Als het maar even kan liggen ze aan de speen te lurken. De moederzeehond kan dan niet vissen en teert in op haar vetlaag. Kastelein herinnert zich een grijze zeehond die vlak na haar bevalling 175 kilo woog, en tijdens de drie weken dat ze haar jong zoogde 75 kilo afviel. De robben die Kastelein bestudeerde, kregen overigens zoveel te eten als ze wilden. Maar werd hun tijdens balts- of zoogtijd vis voorgehouden, dan taalden ze daar niet naar. Blijkbaar zorgen hormonen dan voor een verminderde eetlust.

Daarna stort zo'n scharminkel zich juist op de vis om weer aan te dikken. “De visserij zou moeten zorgen dat er in de buurt van een robbenkolonie voldoende vis is in de kritieke perioden voorafgaand aan de balts en vlak na de zoogtijd”, vindt Kastelein.

INKTVIS

Zegt de voedselconsumptie van zeezoogdieren in gevangenschap iets over die van dieren in het wild? Wilde walvissen eten soms wel vijftig soorten vis. In gevangenschap krijgen ze hoofdzakelijk haring, makreel, sprot en inktvis. “Maar”, zegt Kastelein, “die soorten vormen ook in het wild meestal de hoofdmoot van het walvissenmenu. De Amazonedolfijn eet als zoetwaterdier andere soorten, zoals forel, en krijgt die in het dolfinarium ook.” In een dolfinarium hoeft een walvis nooit uren en kilometers te zwemmen om aan zijn kostje te komen. Op gezette tijden staat er een oppasser klaar met een emmer Hollandse Nieuwe. Een wilde walvis of zeehond verbruikt dus waarschijnlijk meer energie dan zijn gevangen soortgenoot en zou meer voedsel kunnen gebruiken. Dat beaamt Kastelein. “De voedselbehoefte van dieren in gevangenschap is de minimum hoeveelheid vis die hun wilde soortgenoten vangen. Vermenigvuldig dat minimum met de populatie-omvang en je hebt een aardig idee hoeveel vis de soort minimaal nodig heeft.”

Onderzoek naar zeezoogdieren in het wild wordt wel gedaan, door ze met zendertjes uit te rusten bijvoorbeeld. Die registreren zelfs eenvoudige fysiologische processen als zwemsnelheid, hartslag en ademfrequentie, maar niet de hoeveelheid voedsel. Daarvoor moet je ze wegen en dat lukt niet onder water. “Zeezoogdieren laten zich moeilijk vangen en het optakelen en wegen van een walvis is een enorme klus, waarvoor je een peperdure installatie nodig hebt. Een zeewaardig schip huren kost al tienduizend gulden per dag. En dan maar hopen dat je binnen een week een walvis vindt”, zegt Kastelein. Vandaar dat hij onderzoek naar dieren in gevangenschap zo gek niet vindt. “Je kent de omgevingsfactoren en kunt de dieren jarenlang in de gaten houden. Sommige oppassers bleken al tientallen jaren bij te houden hoeveel hun dieren aten. Die individuele voedselconsumptie is nog nooit zo gedetailleerd en langdurig bijgehouden, zelfs niet van huisdieren of mensen.”