Mild satiricus; GUUS VLEUGEL 1932 - 1998

De toneelschrijver en satiricus Guus Vleugel, die afgelopen woensdagavond op 66-jarige leeftijd in Amsterdam overleed, is nooit bang geweest om de werkelijkheid onder ogen te zien. Hij heeft het onvermijdelijke gevolg van de longkanker die kort geleden bij hem werd vastgesteld dan ook niet afgewacht. Slechts de nieuwe verwikkelingen in de Srebrenica-zaak (“zijn laatste grote interesse”) hebben hem, volgens zijn levenspartner Ton Vorstenbosch, even uitstel van de dood doen overwegen. Hij heeft het gesprek in Nova met Frank de Grave, de nieuwe minister van Defensie, woensdagavond nog gezien en tot zijn opluchting geconstateerd, dat interviewster Maartje van Weegen de zijns inziens juiste vragen stelde. Een kwartier later overleed Vleugel. Hij is vandaag in besloten kring gecremeerd.

Behalve voor zijn moed is dat einde tekenend voor de brandende belangstelling die Vleugel koesterde voor de actualiteit. Hij bestond ervan, als dichter, als roemruchte tekstschrijver voor het cabaret Lurelei, als romancier, als columnist, als toneelschrijver. In al die hoedanigheden was hij chroniqueur van zijn tijd en was de satire zijn stijl. Wat hij schreef, moest naar de werkelijkheid verwijzen en wáár zijn, “zo waar mogelijk” in elk geval. Voor een schrijver met die ambitie worden de eigen tijd en omgeving bijna vanzelfsprekend inspiratiebron. Hij was zich er intussen scherp van bewust, dat zijn werk daardoor ook tijdgebonden was. In deze krant zei hij: “Achteraf kun je (-) het vakmanschap bewonderen en de perfectie, maar de actualiteit die (het werk) tot leven brengt en excellent maakt, is weg.” Hij stelde het zonder spijt vast, het kon hem zelfs “geen klap” schelen; hij bezat, volgens hem zoals alle satirici, “de heroïek van het vluchtige”.

Vleugel debuteerde in 1952 onder het naar zijn voorbeeld Hans Lodeizen verwijzende pseudoniem Guus Valleide met de dichtbundel Zon, Maan en Hun Verwend Publiek, in hetzelfde jaar gevolgd door Fluitles. Kort daarop werd de verlegen, uit Zeeland afkomstige jongen opgenomen in de kring rond cabaretier Wim Sonneveld, waarvan ook Conny Stuart, de belangrijkste comédienne van dat moment, deel uitmaakte. Voor haar schreef hij regels als 'Diep in mijn hart ben ik geen dame / diep in mijn hart ben ik een lellebel'. Zijn werk was nog sterk beïnvloed door dat van Annie M.G. Schmidt, die hij hevig bewonderde, een bewondering die al snel wederzijds werd toen Vleugel begin jaren zestig nationale roem vergaarde als tekstschrijver van Lurelei, de cabaretgroep van Jasperina de Jong en Eric Herfst.

Door zijn samenwerking met Sonneveld, die heimelijk homoseksueel was en op toneel iedere provocatie vermeed, was Vleugel gaan beseffen “dat je mensen moest raken en het antwoord op de vraag wat mensen raakt, ligt altijd in de taboesfeer”. Dat hij zelf ook homoseksueel had hij al nooit verdoezeld, maar nu werden ook zijn teksten, overigens geheel in de geest van de tijd, radicaler. Hij schreef liedjes en sketches over drugs, abortus, regentschap, het verzet, zelfmoord en homoseksualiteit. Ze werden met groot succes uitgevoerd door met name Jasperina de Jong, zijn muze gedurende de tien jaar dat hij voor Lurelei werkte.

Over 'Arme Ouwe', een lied uit 1966 waarin een provo afziet van een demonstratie tegen het koningshuis want 'Juliaan (-) lijkt zo op me moe', ontstond nationaal tumult. Er werd proces-verbaal opgemaakt tegen Vleugel en andere Lurelei-collega's, maar het Openbaar Ministerie zag - tot teleurstelling van Annie Schmidt die graag getuige à décharge had willen zijn - uiteindelijk af van rechtsvervolging wegens majesteitsschennis. Voor zijn cabaretteksten ontving hij in 1973 de Van der Hoogt-prijs.

Satirisch als het werk van Vleugel zijn mag, ieder fanatisme ontbreekt eraan. Zo gaat Arme Ouwe vooral over vertedering. Ook in de hevig gepolariseerde jaren zestig en zeventig was hij voor zowel 'links' als 'rechts' kritisch - op een heldere en intelligente manier, en met een bewonderenswaardig milde toon, kenmerkend voor de afstand die hij hield van de waan van de dag. Weinigen begrepen volgens de in de omgang beminnelijke Vleugel dan ook de betekenis van zijn romans Het Schuldgevoel en vooral Een valse nicht: “De indruk ontstond dat ik er zelf éen was en ik dacht: nou ja, laat maar, dan profileer ik me een beetje”.

Onbegrip bespeurde hij ook ten aanzien van de toneelstukken die hij vanaf 1978 samen met Ton Vorstenbosch schreef. Hun debuut De Miraculeuze Come-Back van Mea L. Loman ging over het in zwang zijnde verschijnsel van zelfontplooiing, Sterke Drank in Oud-Zuid over elitisme, en Srebrenica! over de rol van Nederlandse soldaten bij de val van de enclave en de massamoord op de inwoners.

Over het laatste stuk ontstond (internationaal) tumult doordat het Ministerie van Defensie er al voor de première protest tegen aantekende. De beide schrijvers kregen veel kritiek te verwerken vanwege een vermeende simplistische of valse weergave van de feiten, een reden temeer waarom de hernieuwde aandacht in de afgelopen week voor de zaak, die zijn 'ziel' had, Vleugel met diepe tevredenheid vervulde.

Vleugels laatste, alleen geschreven toneelstuk Facelift, over fiscale vluchtelingen, was geen succes. Naar aanleiding van de première, begin dit jaar, stelde de schrijver in deze krant vast, dat “mijn leven eigenlijk net een liedje van mezelf (is)”. Na de Lurelei-successen kampte hij jarenlang met depressies en ondernam hij drie zelfmoordpogingen. De laatste twintig jaar van zijn leven, vanaf het moment dat hij Vorstenbosch leerde kennen, had hij nooit meer last gehad van neerslachtigheid. Het liedje waarop hij doelde, 'De man die zelfmoord wilde plegen', eindigt dan ook met de regel: “Hij is gewoon als ieder ander doodgegaan.”