Laat me je wet zien; Afscheid van Mexico

Twee jaar woonde Marjon van Royen als correspondent in Mexico-Stad. Twee jaar botsingen met autoriteiten en reparaties met smeergeld. En wat afbetaald is, is niet gebeurd. 'Ik was zo dom. Ik stond op mijn strepen.'

Het was het laatste weekeinde voor ik naar Brazilië verhuisde. Zoals al die jaren dreunde ook nu de discotheek de buurt uit zijn slaap. Een openlucht-discotheek, midden in een woonwijk. Elke dag feest tot zes uur 's morgens. Auto's af en aan en kotsende jongeren in het portiek. Maar vooral die bonk! En het bedrijf had niet eens een vergunning. Waar ter wereld bestaat er zoiets, vroeg ik de gemeente toen ik er, groen als gras, wonen kwam.

Ik schreef een paar brieven en een officiële klacht. Later ook een stapel handtekeningen van wanhopige buurtbewoners. Het leek niet zo moeilijk; het gelijk aan je kant. Waarom zou een illegale uitspanning, tegen alle wetten in, mensen in een straal van vier blokken uit hun slaap mogen houden?

Na een half jaar schrijven kwam er een ambtenaar van de gemeente. Hij kwam met formulieren en een geluidsmeter op zak. Hij mat, en mat nog eens, en verdween. Maar er kwamen nieuwe mannen. Ook zij maten en schreven rapporten. Ze telden de stappen die de illegale disco scheidden van het naburige ziekenhuis en de school.

In een week tijd kwam het halve ambtenarenapparaat voorbij. Wat een opluchting, na de politie, die niets wenste te doen. “Dat is onze zaak niet”, en “u begrijpt niet hoe de zaken in Mexico werken”. Déze ambtenaren constateerden een schending van de wet. En ze zouden 'stappen ondernemen', beloofden ze plechtig.

Een week later al kwam de eerste terug. Opnieuw gewapend met zijn geluidsmeter. “Die eigenaars van disco hebben het echt heel moeilijk”, riep hij invoelend. Zijn meter stond natuurlijk weer dik in het rood. “Een dansvloer in de openlucht is hun grootste attractie”, begreep hij. Daarom bood hij me, op kosten van de discotheek natuurlijk, een glazen koepel aan over mijn huis.

En zo kwamen ook de anderen terug. Elk met een aanbod dat we in het Nederlands 'corruptie' zouden noemen. Ik was zo dom. Ik stond op mijn strepen: de hele buurt onder glas, of anders niets. Ik begreep nog niet hoe je in Mexico leert te verliezen.

De situatie gleed uit. Een benzinebom door mijn brievenbus. En even later het pistool van een van de bewakers van de discotheek op mijn hoofd. “Wij zullen je het land uit laten zetten”, had de manager van de discotheek gezegd. “Denk maar niet dat we indianen zijn.” Wat dachten zíj nu wel, idioten. Dat ze met hun mafiose praktijken een beetje de wet naar hun hand konden zetten? Ze hadden met hun nachtelijke lawaai zeker invloed op de minister van Binnenlandse Zaken of zo. Laat me niet lachen, stop je pistool in je broek. En zoek maar vast een andere baan!

En toen stond daar opeens de vreemdelingenpolitie aan de deur. Mét een arrestatiebevel. De nieuwe 'burgerbeweging voor recht op slaap' zou een buitenlandse 'aanstichtster' hebben. En voor buitenlanders is politiek bedrijven in Mexico nu eenmaal verboden. De 'aanstichtster' werd in hechtenis genomen en een paar uur later voorgeleid bij het Hoofd van de Immigratiedienst.

Het Hoofd zat met de benen op tafel. In die positie gaf hij de aanstichtster te kennen dat ze moest staan. Handen uit de zakken, geen sigaret. Nooit, maar dan ook nooit mocht de aanstichtster zich meer uitlaten over de discotheek. “Illegále discotheek”, probeerde ik. “U blijft zo ver mogelijk van dat bedrijf vandaan”, ordonneerde het Hoofd. “Die discotheek is uw zaak niet. En anders verhuist u maar.” Een buitenlandse, zei het Hoofd, werd niet geacht zich in Mexicaanse zaken te mengen. Laat staan dat hij kon tolereren dat een buítenlander interfereerde met de economische ontwikkeling van Mexico, zoals hier overduidelijk het geval.

Het Hoofd nam een diepe trek van zijn sigaret en ging verder. Voorts, zei hij, greep hij graag de gelegenheid aan om met de aanstichtster van gedachten te wisselen over haar werk. Waarom, zei het Hoofd, besteedde ze in haar berichtgeving geen aandacht aan de piramides en andere natuurlijke schoonheden van Mexico? Uit haar artikelen bleek, zei hij, dat ze weinig begrepen had van de Mexicaanse Revolutie, en het daaropvolgende proces van 'institutionalisering' ervan in de vorm van Mexico's heersende Institutionele Partij van de Revolutie (PRI).

Een discussie hierover zou hij verder niet voeren. Maar de aanstichtster moest begrijpen, zei het Hoofd, dat hij haar op elk moment het land kon uitzetten. Daarop haalde hij zijn benen van tafel, belde zijn secretaresse, en keerde de aanstichtster de rug toe.

Het leven werd er één van oordoppen en slikken. Elke dag stond er nu politie voor het huis. Niet voor de disco. Ze pasten op mij. Hun schaduw begeleidde me in de metro; ook achter de taxi reden ze aan. En van de prille 'beweging voor het recht op slaap' bleef al snel niets meer over. De strijdvaardige voorzitster, Doña Esperanza, zonk de moed in de schoenen. Toen een bewaker van de disco haar op een ochtend vertelde dat hij wist waar haar kleindochter naar school ging, verhuisde ze uit de buurt.

“Je moet hier niet hopen en ook niet denken”, zei Sandra, de indiaanse kokkin met wie ik mijn huis deelde. “Je moet gewoon leren wie de sterkere is.” Ze was vrolijk en open en vol galgenhumor. Soms, als het zelfs haar te machtig werd, sloop ze naar buiten en smeerde een blikje kattenvoer op het handvat van een geparkeerde auto. Steevast de auto van een groep discogangers die haar dochtertje al een hele nacht wakker hield. “Dan wéten ze tenminste dat ze vuile handen hebben”, zei Sandra met een tevreden glimlach.

Maar die nacht, zelfs na twee jaar, herkende ik haar niet. Spierwit stond ze naast mijn bed. Haar Spaans was verdwenen, weer Nahuátl geworden. Ze beefde, en sprak in haar eigen taal. Ze pulkte de doppen uit mijn oren, en sleurde me mee naar het raam. En daar was het. In ons eigen portiek. Twintig mannen uit de disco waren bezig een vrouw te verkrachten. De mannen schreeuwden en duwden tegen elkaar. “Nu is het mijn beurt!” “Donder op, jij bent al een keer geweest!”

Het was of hun stemmen in een luchtbel zaten. Ook het schreeuwen van de vrouw zat achter glas. Haar vriendinnen riepen om hulp. Twee vrouwen rennend over de straat. In het Engels roepend om hulp. En overal stonden auto's met mensen erin. Buren hingen uit de ramen. Maar de verkrachting ging door. Geen van de mannen deed enige moeite hun daad te verbergen. En geen van de omstanders een poging om dit geweld te stoppen.

Om en om belden we de politie. Sandra en ik. Er werd niet opgenomen. Pas na lange tijd kwam er een stem aan de lijn. Sandra deed haar verhaal, maar er werd opgehangen. En die mannen op straat gingen door. Toen zagen we hoe een jonge parkeerwachter van de discotheek op de mannen afstapte. Hij had een steen in zijn hand. Maar voordat hij iets kon doen, stortten de verkrachters zich op hem. Ze sleurden de jongen naar het midden van de weg en begonnen hem te slaan. Er kwam een auto aan zonder lichten. De auto reed vooruit, toen achteruit en weer vooruit. Twee keer ging de auto over de jongen heen. We keken en zagen even later hoe zijn slappe lichaam door collega's terug naar de stoep werd gedragen.

We hebben alles gezien. Een verkrachting. Een moord? Toch is het allemaal niet gebeurd. Een half uur later kwam de ambulance. Met zwaailicht, zonder sirene. Het lichaam van de jongen werd ingeladen. Dood? Nog levend? Wie zal het weten.

Eindelijk, ein-de-lijk kwam de politie. Een kordon bewakers van de disco schermde hen af. De politie overlegde met de manager van de disco en telde. De geldbiljetten die hun in de hand werden gestopt om te zwijgen, niets op te schrijven. Er was niets gebeurd!

Een week later zijn mijn laatste spullen ingepakt. Buiten staat de verhuiswagen klaar. Ik wil weg, echt weg hier. Wat is het om je gevoel te verliezen? Ik had nog gebeld naar de politie, het openbaar ministerie, het nieuwe, linkse gemeentebestuur. Iemand moest toch weten wat er die nacht is gebeurd? “Deze kwestie ligt buiten onze competentie”, zei de ambtenaar van de nieuwe gemeente. En hij stuurde me weer terug van het kastje naar de muur. “Schrijft u een klacht aan de politie, doe een melding bij het openbaar ministerie.” Zak in de modder. Wil dan echt niemand weten wat er hier, midden in de grootste stad ter wereld gebeurt?

Daar komt de politie weer aangereden. Ze stappen niet uit, praten door het raampje. Ik moet door mijn knieën om hen te verstaan. Waar gaat het om, wat is de kwestie? Mijn verhuiswagen mag niet voor de deur staan, luidt hun bezwaar. Maar er is geen parkeerverbod, werp ik tegen. En de verhuizer heeft alle papieren. De agent schudt zijn hoofd en zegt: de wet is de wet. “Laat me je wet zien en ik betaal je je smeergeld.”

Had ik het maar nooit gezegd. De agent stapte uit. Hij liet geen wet zien, geen papier. Met een klap sloeg hij de vergunningen uit handen van de verhuizer en liep op de auto af. Hij verzegelde alle deuren en nam de verhuizing in beslag. Het smeergeld dat ik later betaalde om mijn spullen weer los te krijgen, werd een tienvoud van wat ik kwijt was geweest als ik meteen had betaald.