Kerkverbod

“Dokter, wilt u Wim zeggen dat hij op zondag niet meer naar de kerk hoeft te gaan?” De oude moeder had een zachte krakende stem en ze droeg een zwarte jurk met fluwelen acanthusblaadjes. “Naar ons wil hij zo slecht luisteren”, voegde ze eraan toe. Het ging over haar zoon van vijftig, een forse man met een blauw dooraderd gelaat en handen als gierscheppen. Hij deed thuis wat boerderijwerk. “Het is zo jammer dat hij zo'n klein verstand heeft”, zei ze. Er was prostaatkanker bij hem ontdekt die in alle botten uitgezaaid was, tot in zijn schedeldak. “Zo'n piene in 't fondement”, was zijn enige klacht. Hij onderging zijn kwaal met de goedigheid en de verbazing van het noodlot, dankbaar voor de aandacht die hem nu ten deel viel. Hij keek intens nieuwsgierig naar de glimmende buisjes bloed die de hagelwitte laborante bij hem afnam. En hij lag doodstil in de draaiende scanner op de röntgenafdeling. “Wor ik no afgeschoten”, vroeg hij toch wat benauwd. De pilletjes die hij elke morgen moest nemen wiegde hij in de handpalm. Hij keek ernaar en hij bleef ernaar kijken als zij hem niet aanspoorde. “Joh, schiet toch eens op”, zei ze. “Zukke mooie kleuren”, zei hij. Hij nam een slok water, kokhalsde, en ze zaten in zijn lijf. In de spreekkamer ontdekte hij mijn nieuwe weegschaal. “Hè jiej 'n nuwe baskuul?” vroeg hij. Zijn ogen lichtten op. Hij liep er schokschouderend heen en streelde met beide handen het statief. “Ja Wim, we moeten met de tijd mee”, zei ik. Hij keek naar de oplichtende cijfers. “Hiej 's automaties”, stelde hij tevreden vast, “dieje mit wiezers bent maor olderwets.” “Precies”, zei ik. Soms kon hij het niet allemaal verwerken en kreeg hij een zenuwaanval. Hij staarde me aan, stak zijn wijsvinger in de mondhoek en liet de wang ploppen, soms vijf keer achtereen. “Wat is er Wim?” vroeg ik. “Mit mien niks”, zei hij.

“Hij gaat graag naar de kerk”, zei de moeder, “om de mensen en het zingen.” Ruim voor de aanvang van de dienst zat hij al op zijn vaste plaats middenin de kerk. Hij draaide zijn grove lijf een halve slag en staarde de binnenkomenden aan. Onderwijl maalde hij smakkend een rol pepermunt naar binnen. Tijdens de preek schoof hij luidruchtig heen en weer. “Piene in de botte”, zei hij. “Hij bezorgt zo'n overlast”, zei de moeder. Ze hijgde amechtig. “En hij wil op geen andere plek gaan zitten.”

“Moet ik dat tegen Wim zeggen?” vroeg ik. Ik dacht aan de lange kerkgangen uit mijn jeugd en de preken die ik horende doof heb aangehoord. Nederigheid en armoede van geest waren voor zover ik me herinnerde gewaardeerde eigenschappen van de toenmalige kerkganger. Ach wat. “Verstoring van de kerkdienst kan toch ook niet goed zijn”, antwoordde ik. Ze knikte.

Toen hij een paar dagen later op mijn spreekuur kwam, zei ik: “Die wekelijkse kerkgang Wim, die is veel te vermoeiend voor je. Me dunkt, je moest niet meer gaan.” Hij zei niets, knikte verbaasd met zijn hoofd en keek naar een oneindig punt achter mij. Ik draaide me om. Een gesausde muur met een oude plaat van een marskramer, niets bijzonders. Wel een bruine vochtplek. Die zag ik nu voor het eerst. Mene-tekel. Als ter plekke stom geworden verliet hij de spreekkamer. Al snel werd hij bedlegerig. Een paar maanden later is hij overleden.