In memoriam Jankarel Gevers

Het grote verschil tussen Jankarel Gevers en zo veel andere beroepsbestuurders was dit: Jankarel had de mening van Jankarel, zijn collega's hadden de mening van de meerderheid. Praat gezellig met de gemiddelde regent en hij kan uitleggen dat korpschef Brinkman niet meer viel te handhaven in Rotterdam, dat de Leidse universiteit niet meer zo goed is als vroeger, of welk ander cliché op dat moment maar de regentenronde doet. Regenten besteden heel veel tijd aan overleg met andere regenten, zodat ze niet het gevaar lopen per abuis een minderheidsmening aan te hangen. Jankarel was natuurlijk ook dag en nacht in gesprek, maar liever met wetenschappers of artiesten. Daarom hield hij ook zo van de 18e eeuwse Franse literatuur: een periode met weinig interessante politici maar heel veel boeiende encyclopedisten, savants en eigenwijze briefschrijvers. Jankarel kon priemend eerlijk zijn; hij deed me denken aan Les liaisons dangereuses, waarin de protagonisten hun zelfbeeld niet willen laten bepalen door wat de regenten toevallig gepast vinden, maar in iedere brief nog weer eerlijker zijn over hun motieven en meningen.

Deze krant memoreerde op 6 augustus nog eens een paar opvattingen van de voorzitter van de Amsterdamse universiteit. Deetman was een beter minister dan Ritzen, de faculteiten van een universiteit mogen best kiezen voor heel verschillende vormen van bestuur, en bijzondere mensen hebben recht op bijzondere condities. In 1994 moest Jankarel de economie-hoogleraar Rick van der Ploeg bij zich vragen vanwege diens ongetwijfeld verkiesbare plaats op de lijst van de PvdA voor de Tweede Kamer. 'Het niveau is in Den Haag zo veel lager dan aan de universiteit, dat ik het gewone Kamerlidmaatschap er wel in één dag per week bij kan doen', zo schatte Van der Ploeg de nieuwe situatie in, 'tenzij ik fractievoorzitter wordt, dan moet ik waarschijnlijk wat minder les gaan geven'. Jankarel wist op dat moment veel meer van de Haagse wereld dan Van der Ploeg, maar zoals hij de anekdote vertelde wist ik zeker dat hij de wilde geleerde met wijsheid en respect had behandeld. Ook wanneer hij mij een baan aanbood aan zijn universiteit had ik nooit het gevoel dat een regent even iets aardigs wilde zeggen, maar dat Jankarel zijn grote gewicht zou inzetten om een belofte gestand te doen.

Mijn contacten met Jankarel gaan terug tot onze studietijd in Leiden. In 1963 zaten de corpsstudenten bij veel colleges nog in de voorste rijen van de collegezaal, en de 'knorren' achterin. Overal in het land kwam protest tegen de bevoordeling van de corpsstudenten in de gesubsidieerde studentenflats. Een paar jaar later was er ook een oorlog in Vietnam om tegen te protesteren. Jankarel Gevers, Herman Tjeenk Willink (nu vice-voorzitter van de Raad van State) en Cees Schuyt (socioloog en Volkskrant columnist) mochten ieder een jaar proberen om corps en knor, links en rechts, Vietnam-betoger of a-politiek te verzoenen. Alle drie waren spijtoptanten in het Leids Studenten Corps die op de Sociëteit toch geen carrière zouden hebben gemaakt, en in plaats daarvan een jaar wijdden aan sociale studentenzaken. De linkse geuzen van de studentenvakbeweging voerden oppositie tegen deze verlichte corpsstudenten. Wij probeerden de wachtlijsten voor de grachtenpanden echt open te stellen voor studenten uit milieus die vroeger niet zo aan studeren waren toegekomen. En waarom kon de universiteit niet financieel bijdragen aan een teach-in over Vietnam? Gevers, Tjeenk Willink en Schuyt hoorden al die radicale linkse praat aan, overlegden met hun vrindjes bij het Corps en probeerden een redelijke middenweg te vinden. Tjeenk Willink was toen al de discrete, zorgvuldige bestuurder, Schuyt het meest nieuwsgierig naar de precieze motieven van zijn linkse critici en Gevers een keer oprecht in tranen vanwege misverstanden tussen de studentenpartijen.

Gevers, Tjeenk Willink en Schuyt waren waarschijnlijk nog ontgroend door Pieter van Vollenhoven en andere vrolijke ouderejaars die er zich op lieten voorstaan dat ze het eerste jaar helemaal niet studeerden, en daarna met prinses Margriet naar de film gingen. Jankarel, Herman en Cees waren bedachtzame, ernstige jongens, alle drie bewust anders dan de brallers in driedelig grijs, en open voor de nieuwe tijd waarin de weledelgeboren Heren niet meer het Rapenburg voor zich hadden.

Na onze studietijd heb ik altijd contact gehouden met Jankarel, de laatste vijftien jaar o.a. door een jaarlijkse maaltijd met hem en Roel in 't Veld. Was het tijd om ons lidmaatschap van de PvdA op te zeggen? Nee, zei Jankarel dan, 'waarschijnlijk is er volgend jaar een nog veel betere reden'. Met drie eigenwijze mensen aan tafel lukt het wel om veel zaken helder te krijgen, maar één mysterie bleef altijd open. Hoe kon de PvdA ondanks zo veel leden met enig verstand van onderwijs twee keer in successie de enge Jo Ritzen naar voren schuiven als minister van Onderwijs? Ritzen had al in 1981 zichzelf gediskwalificeerd met een verkeerde analyse van de werkloosheid voor Den Uyl, en daar in 1986 nog een schepje bovenop gedaan met zijn voorstel voor een 25-urige werkweek. Kon zo'n man als hij weg wilde bij de universiteit niet adjunct-directeur worden bij een planbureau in plaats van minister van Onderwijs?

De schade die Ritzen toebracht aan het onderwijs werd al maar groter. Wachtgelden zijn nu opgelopen tot bijna twee miljard gulden per jaar, maar Ritzen is tot het eind van zijn ministerschap te laf geweest om die verspilling samen met de vakbonden aan te pakken. Ritzen's campagne om middelbare scholen al maar groter te maken werd ondersteund met subsidies van het ministerie, hoewel er nooit enig onderwijskundig bewijs was dat kinderen beter leren in een mega-school. Felix Rottenberg moest die ideologische actie tegen Ritzen's zin afblazen vanwege te veel ledenverlies voor de PvdA, boze ouders met kinderen op kleinere middelbare scholen schreven naar de partijvoorzitter.

Wij drieën - Jankarel voorop - begrepen maar niet waarom zo veel slecht beleid zo lang kon doorgaan. Terreur van Ritzen onder de ambtelijke top? (hij heeft opmerkelijk veel topambtenaren versleten). Druk op onafhankelijke onderzoekers wanneer ze tot andere conclusies kwamen dan onderwijsideoloog prof. Wijnen? (prof. Köbben schreef daarover griezelige waarheden in deze krant). Sociaal autisme bij een minister die iedereen alles onvermoeibaar kon uitleggen, maar nooit aanvoelde wanneer het tijd was om te luisteren? Wij zijn er in acht jaar ministerschap niet uitgekomen.

Ik sprak Jankarel voor het laatst uitvoerig op 7 april bij onze jaarlijkse maaltijd en weet dus niet wat hij verwachtte van de nieuwe VVD-minister. Maar ik weet zeker waar hij op hoopte. Reconstructie van de universiteiten en hogescholen: minder van het Duitse model van Humboldt en meer volgens het competitieve model van de Verenigde Staten. Onderwijspolitiek op basis van goed kijken naar wat werkt in de praktijk, in plaats van ideologische campagnes. En een minister die zorgt dat steeds méér buitenwereld doordringt tot steeds minder ambtenaren. Het zou ironisch zijn - maar daarom niet minder welkom - wanneer die wensen van een zo loyaal lid van de PvdA nu dichterbij kunnen komen met een liberale minister van Onderwijs.