Een kastanje die de dienst uitmaakt

Het is - als die uitdrukking overdraagbaar is - een boom van een boom. De stam is bijna anderhalve meter in doorsnee, de top van de kruin bevindt zich op ten minste twintig meter hoogte. De spanwijdte is ook indrukwekkend, naar alle kanten reiken dikke takken, begroeid met karrenvrachten bladeren. Behalve die bladeren - ook al breed en groot - komt er van lente tot herfst een grote hoeveelheid voortplantingsmateriaal naar beneden; eerst de witte blaadjes van kandelaarvormige bloemen, dan kleine, groene stekelbolletjes, uiteindelijk grote, groene stekelbollen. Welke functie wat heeft, weet ik niet. In de grote bollen zitten de kastanjekleurige (een betere beschrijving is er niet) kastanjes.

Een knaap van een boom is het dus, deze kastanje in mijn tuin. Nu ja, tuin: tuintje moet ik zeggen, want al vallen de maten ervan strikt genomen mee (ongeveer veertig vierkante meter), de voornaamste bewoner maakt er een fors bemeten plantenbak van. Hij staat precies in het midden, alsof hij er ooit doelbewust geplant is. Dat is niet zo. Het huidige midden ontstond pas toen we met de aanleg van een terras de oorspronkelijke tuin halveerden. En bij de bouw van het terras is met de plaats van de boom ook al geen rekening gehouden: de evenwichtige verdeling van de ruimte is louter toeval.

De boom staat aan de rand van een oerwoudachtig tuinengebied. Behalve met authentieke tuinhuizen is het gebied niet bebouwd en de vele bomen die er staan, krijgen dan ook alle kans om 's zomers een dichte, groene wand te vormen. Onze kant daarvan houden we al vijftien jaar zorgvuldig in stand. We laten de kastanje weliswaar af en toe snoeien, maar behoedzaam en mondjesmaat, want er mogen met het oog op ongewenste inkijk geen gaten vallen in de groene muur.

Dat klinkt alsof we aandacht zouden hebben voor de natuur achter ons huis, en tot op zekere hoogte is dat ook wel zo. Maar die aandacht levert weinig op. Want niet wij, maar onze kastanje maakt de dienst uit. Het ene seizoen bedelft hij de grond waarin hij wortelt met een dikke laag bladeren, het andere maakt hij met die bladeren ieder contact tussen de zon en de grond onmogelijk. Daarbij, zo verzekeren deskundigen, slurpt hij al het grondwater op, zodat er voor andere planten weinig overschiet. Een zielig varentje aan zijn voet is al tien jaar zielig.

De schaduwminnende, ascetische soorten zouden kunnen overleven in mijn tuin. Maar ook daar komt het niet van, wegens een tragische samenloop van omstandigheden. Niet alleen de dinosaurus in het midden frustreert de boel, ik doe dat zelf ook. Tuinieren is geduld hebben, zei een vriendin met groene vingers twee dagen geleden nog tegen me - en geduld, dat heb ik niet. Ieder idee wil ik onmiddellijk gerealiseerd zien, en bovendien vertoont die spontaniteit geen enkel patroon. Eerst vond ik dat een klimop klimmen moest, en wel tegen de schutting. Dat deed hij, maar ook woekerde hij op de bodem rond de boom. Dat bestreed ik gedurende vele jaren, terwijl ik tegelijkertijd allerlei bodembedekkers plantte. Die niet aansloegen. Sinds ik wijselijk besloot de klimop zijn gang te laten gaan, groeit hij tergend langzaam. Lijkt het.

De goede wil is er, maar het inzicht ontbreekt. Ik plantte gouden regens - en haalde ze weer weg, omdat het met kastanjetakken gevulde luchtruim, zoals te voorspellen was, er helemaal geen plaats voor bleek te bieden. Klimhortensia's kwamen en gingen: pas na het uittrekken hoor je dat ze er soms tien jaar over doen om aan te slaan. Begin juni, midden in de bloeiperiode, bedacht ik dat het in tuinarchitectonisch opzicht veel beter zou zijn als de rododendron niet vóór maar àchter de boom stond. Ik heb hem meteen uitgegraven en verplaatst: aan de wisse dood die daarop hoort te volgen, volgens een vriend die ik trots de fraaie opbouw van laag naar hoog toonde, is de plant tot op heden ontsnapt - waarschijnlijk uitsluitend dank zij de natte zomer.

De even subiet verplaatste hortensia's, waarvan ik ineens vond dat ze één struik moesten vormen, overleefden het avontuur ook. Wel staan er nu, heel onnatuurlijk, drie kleuren door elkaar heen te bloeien. Daar ga ik vast nog, midden in de volgende bloeiperiode, iets op vinden.

Die tuin van ons, het wil niet vlotten. Alleen de begin mei aangeschafte passiebloem bloeit uitbundig, de bemoedigende beloning voor het geduld dat ik zoals gewoonlijk al drie weken na aanplant dreigde te verliezen. Het rendement van een andere nieuwe aankoop laat jammer genoeg nog veel langer op zich wachten. Met het oog op de rui van de kastanje en in de hoop het groeien en bloeien straks een handje te kunnen helpen, hebben we een compostbak gekocht, die al voor de helft gevuld is met bladeren van vorig jaar. We schuiven nu drie keer per dag het luikje onderin omhoog, om te kijken of de mest al klaar is.

Ook ruziën we met overgave over de vraag wat er wel of niet in mag worden gedeponeerd. Andere huishoudens blijken die discussie allang achter de rug te hebben, wegens het (bij ons nooit ingevoerde) systeem van afvalscheiding en de bijbehorende biobak. Volgens de man van een vriendin mogen er wel gebruikte tampons in (biomateriaal!), maar geen ongebruikte. Dat standpunt had hun bijna hun huwelijk gekost, begreep ik. Je hoort het zo eens aan. Pas later vroeg ik me af waarom zij kennelijk ongebruikte tampons wilde weggooien. De conclusie is waarschijnlijk dat splijtzwammen welig tieren, overal.