De twijfels over Srebrenica blijven

Minister F. de Grave (Defensie) is deze week geconfronteerd met het 'trauma-Srebrenica', de moslimenclave die door Dutchbat werd bewaakt. Wat is er op die elfde juli 1995 precies gebeurd? De Grave heeft direct nieuwe onderzoeken gelast.

DEN HAAG, 15 AUG. Na eerdere golven in 1996 en '97, onder meer veroorzaakt door publicatie van boeken of nadere rapportages over meer of minder bekende incidenten, heeft de nasleep van de val van de moslimenclave Srebrenica (11 juli 1995), de afgelopen twee weken opnieuw tot een lawine aan berichten, bespiegelingen, speculaties, nieuwe en niet zo nieuwe onthullingen en politieke acties geleid.

In een nieuwsarme tijd sloeg de vlam in de pan op 31 juli jongstleden. Toen beantwoordde minister Voorhoeve vlak voor zijn vertrek van Defensie schriftelijke vragen van het oppositionele Tweede-Kamerlid Hillen (CDA) over de verloren gegane foto's van een landmacht-officier en het ontbreken van diens getuigenverklaring in het openbare debriefingsrapport van 30 oktober 1995. Hillen was ontevreden over Voorhoeve's antwoorden. Hij had de afgelopen maanden geregeld contact gehad met leden van Dutchbat die vonden dat Defensie met hun kritische getuigenverklaringen te weinig had gedaan. De ontevredenheid van Hillen, die ooit politiek verslaggever van het NOS Journaal was, begon de media te bereiken.

Een week later was het echt raak. De aangaande 'Srebrenica' al jaren actieve en goed geïnformeerde redactie van de televisie-rubriek NOVA had uit eigen bronnen ook het één en ander klaarliggen en haalde Hillen zaterdag 8 augustus in de uitzending. De kritische tweezang die daarin volgde over de behandeling door Defensie van de zaak-Srebrenica kreeg enorme echo's. De nieuwe minister, De Grave, kwam van vakantie terug en besloot tot een eigen nader onderzoek. Eerst had hij daarvoor oud-minister De Ruiter op het oog. Na diens weigering (“te druk”) wist De Grave afgelopen donderdag de Noord-Hollandse commissaris der koningin Van Kemenade voor die klus te strikken.

Defensiewoordvoerders in de Tweede Kamer eisten een snel parlementair onderzoek. Uit De Grave's departement kwamen daarbij bijna dagelijks pakken papier. Volgens de één ging het daarbij vooral om oude kost of zelfs, zoals de oud-chef defensiestaf Huyser het typeerde, om “opgeblazen lucht”. Volgens de ander kwam er nieuw brisant materiaal los, bijvoorbeeld over de Dutchbat-pantserwagen die in de nacht van 11 op 12 juli 1995 enkele tientallen Bosnische moslimsoldaten zou hebben overreden. Wat is nieuw aan al die onthullingen en wat is al eerder onderzocht? Een inventarisatie.

Fotorolletje. Kapitein R. Rutten heeft op 13 juli 1995 36 foto's gemaakt van huizen, tuinen en bossen waar pas geëxecuteerde Bosniërs te zien zouden zijn. Volgens Rutten gaven de foto's aanwijzingen dat de Bosnische Serviërs met een moordpartij bezig waren na hun verovering van Srebrenica. Ook zou er een Nederlandse militair te zien zijn die hielp met het scheiden van mannen, vrouwen en kinderen.

Na terugkeer overhandigde hij op verzoek van de militaire inlichtingendienst het fotorolletje. Het ontwikkelen daarvan mislukte echter een dag later (26 juli), omdat er een verkeerde stof in de ontwikkelbak had gezeten, aldus de officiële verklaring.

Het incident kreeg veel aandacht van de pers. Kapitein P.H. Rutten (geen familie van R. Rutten) van de marechaussee onderzocht als hoofd van het 'Kodakteam' hoe het zover had kunnen komen. Er werden twee processen verbaal opgemaakt. Daarna deed het OM in Arnhem onderzoek. In de begeleidende brief van het debriefingsrapport (30-10-95) meldde Voorhoeve dat het OM heeft vastgesteld dat er sprake is van een menselijke fout, geen opzet. In een brief van 27 juli 1995 meldde Voorhoeve aan de Kamer dat Dutchbat-militairen op 13 juli “de standrechtelijke executie van ten minste tien mannen hebben kunnen vaststellen”. In een brief van 3 augustus 1995 schrijft Voorhoeve dat negen van hen met schotwonden in de rug zijn aangetroffen en één in de omgeving van Potocari moet zijn doodgeschoten. Ander fotorolletje. Daarop zouden pas geëxecuteerde Bosniërs in een huis te zien zijn, “netjes op hun buik gelegd”, aldus adjudant B. Oosterveen die het tafereel fotografeerde. Opnieuw zou dit duiden op grootscheepse executies door de Bosnische Serviërs. De afdrukken die Oosterveen retour kreeg, waren wazig en donker. Omdat de foto's binnenshuis moesten worden gemaakt met een wegwerpcamera, luidde de verklaring van Defensie. Voorhoeve schreef op 3 augustus 1995 aan de Kamer dat de kwaliteit van de opnamen slecht was en dat de officier van Justitie moest beoordelen of ze te slecht zijn om als bewijs te dienen. Over de lichamen van Bosnische militairen heenrijden. In de nacht van 11 op 12 juli 1995 zouden Nederlandse militairen met een pantserwagen enkele tientallen Bosnische moslim-soldaten hebben overreden. De pantserwagen met acht militairen van Dutchbat was destijds, kort voor de val van de enclave Srebrenica, op de vlucht voor het Bosnisch-Servische leger van generaal Mladic. De wagen reed van een observatiepost in Jaglici naar het hoofdkwartier van de Nederlandse VN-eenheid in Potocari, nabij Srebrenica, en doorbrak een blokkade van Bosnische moslim-militairen, die niet wilden dat Dutchbat de buitenpost in Jaglici ontruimde en die het vuur hadden geopend. Volgens toenmalig bevelhebber der landstrijdkrachten, luitenant-generaal Couzy, viel deze Dutchbatters “niets te verwijten”.

Het incident werd in 1995 al onderzocht door officier van justitie A.P. Besier van het openbaar ministerie in Arnhem. Hij moest zich toen baseren op samengevatte getuigenverhoren. Hij geen reden zag tot strafrechtelijke vervolging. Het incident staat niet beschreven in het zogeheten debriefingsrapport dat Defensie liet maken.

Na nieuwe details, deze week naar buiten gekomen in het NOS-jounaal, heeft het OM besloten tot hernieuwd onderzoek. Daarin zal het OM ook een ander, vergelijkbaar incident 'meenemen'. Het door Dutchbatters aannemen van Duits geld uit handen van Bosnische vluchtelingen, die willen dat dit geld niet bij de Serviërs terecht komt. Dit incident staat beschreven in de dinsdag uitgelekte en woensdag officieel gepubliceerde 'managementrapportage' van kapitein P.H. Rutten. Dit rapport werd opgesteld op basis van gesprekken met vijf Dutchbatters. De toenmalige minister van Defensie, Voorhoeve, werd telefonisch op de hoogte gesteld van deze incidenten door Ruttens baas, commandant Fabius van de Koninklijke Marechaussee. De managementrapportage zelf kreeg Voorhoeve pas twee jaar later onder ogen.

Naar aanleiding van de telefonische rapportage, liet Voorhoeve een “breed en diepgaand” onderzoek uitvoeren. Dit onderzoek mondde uit in het debriefingsrapport. Dit rapport maakte geen melding van het incident met het geld. Ook de pers berichtte er niet over, tot afgelopen dinsdagavond in NOVA. Bij toetsing van de managementsrapportage door het openbaar ministerie concludeerde men dat een vervolgonderzoek naar het aannemen van geld niet tot resultaat zou leiden. De zaak was voor het OM hiermee afgedaan. Falende leiding van het Nederlandse bataljon ten tijde van de Servische inname van Srebrenica. Vrijwel direct na de val van Srebrenica, kwam er in de media kritiek op overste Karremans, commandant van Dutchbat in Bosnië, die zich negatief over de Bosniërs en positief over de Bosnische-Serviers en hun commandant Mladic had uitgelaten. In het verlengde daarvan werd twijfel geuit op de manier waarop hij leiding heeft gegeven aan het Nederlandse bataljon. Volgens een woordvoerder van het ministerie wordt het optreden van de leiding meegenomen in het algemene wetenschappelijke onderzoek dat het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) naar de val van de enclave uitvoert. De eerder genoemde managementrapportage van Rutten maakt ook melding van een falende bataljonsleiding. “Hij was volledig van de kaart”, aldus het rapport. Defensie verklaarde Karremans' houding uit het drinken van “besmet water”. Onderzoeken. Op dit moment lopen er nog drie onderzoeken naar het 'dossier-Srebrenica'. Het openbaar ministerie onderzoekt op verzoek van minister De Grave van Defensie de zaak van het met de YPR over lichamen rijden. Commissaris der Koningin Van Kemenade verricht op verzoek van De Grave een algemeen onderzoek naar de vraag of er sprake is geweest van het verduisteren of achterhouden van relevante informatie. Daarin wordt ook weer gekeken naar het marechaussee-onderzoek naar de fotorolletjes en tevens naar het 'verdwijnen' van een dagboek van een Nederlandse militair die in Angola diende. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie tenslotte is sinds eind 1996 bezig met een wetenschappelijk onderzoek naar “de aanleiding, ontwikkeling en afloop van de val van de enclave Srebrenica”. Wanneer dat onderzoek klaar is, valt niet te zeggen. Omdat er bij het RIOD-onderzoek niet naar justitiële aspecten wordt gekeken heeft dat ook niet de prioriteit.