De bouwvakker

Het bouwbedrijf kent twee CAO's met bijbehorende beloningssystemen: één voor het lagere personeel, zoals timmerlieden, metselaars en kraanmachinisten, en één voor het leidinggevende en administratieve personeel, zoals uitvoerders en werkvoorbereiders. Verder gelden aparte CAO's voor het personeel van een aantal aanverwante bedrijven, zoals schilders en stukadoors.

Het salarisstelsel in de bouw is zeer eenvoudig. De lagere werknemers worden ingedeeld in vijf groepen, de leidinggevenden in zes. De vakbonden zijn hier niet gelukkig mee. Werknemers krijgen namelijk geen salarisverhoging door het opbouwen van werkervaring, maar alleen als zij van functie veranderen.

Beleidsmedewerker Ton Heijnen van de Bouw- en Houtbond FNV: “Het is een weinig verfijnd beloningssysteem. Wie op zijn 22ste een weekloon van 800 gulden ontvangt, verdient dat op zijn 55ste nog.” De vakbonden kondigden bij de presentatie van de nieuwe CAO voor het bouwbedrijf, in juli vorig jaar, aan dat er een studie komt naar een nieuwe, meer gedifferentieerde functie- en beloningsstructuur. Gijs Wildeman, CAO-onderhandelaar van de Hout- en Bouwbond CNV, vreest dat dat nog wel even zal duren. “Het huidige salarisstelsel kent een lange traditie. Dat kun je niet zo één, twee, drie omgooien. Maar het bouwbedrijf is inmiddels veranderd. Er zijn nieuwe functies bijgekomen, en die moeten worden ingepast in de beloningsstructuur.'

De lonen die in de CAO worden genoemd zijn garantielonen. Heijnen schat dat de meeste bouwvakkers vijftien procent meer verdienen. “Wat iemand verdient, hangt af van de situatie op de arbeidsmarkt en op zijn individuele onderhandelingstechniek.” Zijn collega Wildeman beaamt dat. “Begin jaren tachtig donderde de bouw in elkaar. Het loon daalde toen tot de ondergrens. Op dit moment is er krapte op de arbeidsmarkt. Veel bouwvakkers spreken per project af wat zij verdienen. Gemiddeld komt dat neer op zo'n honderd gulden extra per week.”

Werknemers tot en met 21 jaar ontvangen een loon dat is aangepast aan hun leeftijd, opleiding en het aantal uren dat zij werken. Veel jeugdige werknemers zijn namelijk nog partieel leerplichtig en werken maximaal 32 uur per week.

Voor werknemers die nog nooit in de bouw hebben gewerkt - met uitzondering van schoolverlaters of werknemers die een vakopleiding volgen - geldt het eerste jaar een inloopschaal.

De bouw heeft een tekort aan oudere werknemers. Wildeman: “Het werk is zwaar en veel ouderen zijn onvoldoende geschoold om gebruik te maken van de moderne, technische hulpmiddelen. Maar 55-plussers kunnen tegenwoordig vier dagen werken met behoud van hun volledige loon. Zij worden dan bijvoorbeeld leermeester, zodat zij hun kennis kunnen overdragen op de jongere generatie en zelf minder fysieke inspanning hoeven te leveren.”

In de bouw werken ook weinig vrouwen. “Het is nog steeds een mannenwereld, hoezeer wij als vakbonden ook ons best doen de arbeidsomstandigheden vrouwvriendelijker te maken”, geeft Wildeman toe. De regelingen voor deeltijdwerk en kinderopvang komen inderdaad overeen met die in andere beroepssectoren. Wildeman: “Naar mijn mening zouden bijvoorbeeld in de schilderssector veel meer vrouwen kunnen werken. Dat werk is lichamelijk minder zwaar en vergt een grote precisie. In Denemarken is maar liefst de helft van de schilders vrouw!”

De loonbetaling geschiedt doorgaans per week. Heijnen: “Veel bouwvakkers gaan nog steeds van baas naar baas. Ze worden per project ingehuurd.” Wildeman: “Zeventig procent van het personeel verandert ten minste één keer per jaar van werkgever. Maar daaronder vallen ook de mensen die in de winter op straat komen te staan en in de lente terugkeren bij hun werkgever.”

Werknemers van particuliere onderwijsinstellingen en publieke omroepen die in de zomer tijdelijk worden ontslagen, ontvangen sinds kort geen uitkering meer. Wildeman is niet bang dat het bouwpersoneel hetzelfde lot is beschoren. “Wij hebben daar goede afspraken over gemaakt met de uitkeringsinstantie.”

Tijdens korte vorstperiodes worden bouwvakkers gewoon doorbetaald uit het zogenaamde 'Risicofonds'. Vanaf november moeten werkgevers de eerste negen vorstdagen zelf betalen. De vakbonden willen aannemers hiermee stimuleren voorzorgsmaatregelen te nemen, zodat het werk gewoon kan doorgaan. Wildeman noemt als voorbeelden het afdekken van bouwmaterialen om te voorkomen dat ze bevriezen en het afdichten van bouwwerken, opdat het personeel binnen verder kan werken.

Om te voorkomen dat bouwvakkers die tijdens het winterseizoen worden ontslagen geen geld bijeen kunnen sprokkelen om op vakantie te gaan, is het systeem van de 'vakantiebon' bedacht. Werkgevers storten bij elke loonbetaling een vast percentage in een speciaal vakantiefonds. Ook de doorbetaling van vrije dagen wordt hieruit betaald. Het vakantiegeld is belastingvrij, omdat de belastingpremie door de werkgever is vooruitbetaald. Heijnen: “Werknemers in andere sectoren sparen hun vakantiegeld zelf. Uiteindelijk zullen de bedragen niet veel verschillen.”

De bouw kent een aantal bijzondere toeslagen, onder meer voor chauffeurs. Wie minimaal één collega meebrengt naar de werkplek, ontvangt 4 tot 18 gulden per dag, afhankelijk van het aantal meerijders en de afstand die moet worden afgelegd. Ook schadevrij rijden levert een premie op: 22 tot 27 gulden per kwartaal, met een bonus van 38 gulden na drie jaar schadevrij rijden.

Overigens wordt de reistijd van de woning naar de werkplek ook vergoed, als de reis langer duurt dan een uur. Bouwvakkers werken immers steeds op een andere bouwplaats, dus het reizen hoort bij hun werk. Niet alleen nuttig maar ook lucratief is het volgen van een EHBO-cursus. Dit geeft recht op een bruto bedrag van 312 gulden. Verder gelden in de bouw de normale overwerktoeslagen en onkostenvergoedingen die ook in andere beroepssectoren voorkomen: werkkleding en -schoeisel, gereedschap en reiskosten kunnen gedeclareerd worden.

Aantal werknemers Lager personeel180.000 timmerlieden 43 % metselaars 20,6% lager geschoolden 16,6% stratenmakers 8 % machinisten 7,8% andere beroepen 4 % Uitvoerend, technisch en administratief personeel 50.000

Opleiding Lager personeel: lager, voortgezet of middelbaar onderwijs, eventueel aangevuld met een vakopleiding (bijv LBO, MAVO, KMBO of leerlingwezen) Hoger personeel: middelbaar of hoger onderwijs (bijvoorbeeld MTS of HTS)

Salaris Lager personeel minimaal, per week 755,60 maximaal, per week 954 Uitvoerend, technisch en administratief personeel minimaal, per maand 2.714 maximaal, per maand 7.221

Bedragen in guldens