Boot, fluit, galjoot

De drie scheepstypen boot, fluit en galjoot waren nauw aan elkaar verwant. Wel waren ze van verschillende ouderdom.

HET VAARTUIGTYPE 'boot' of 'bootschip' gaat terug tot 1468, de term 'galjoot' laat zich in Nederland terugtraceren tot 1505, en we weten dat de eerste fluit in 1595 te water werd gelaten. Op enkele plaatsen in zijn werk vermeld Witsen waar de onderlinge verwantschap tussen de drie scheepstypen uit bestond. Over die tussen boten en fluiten: “Boten zijn kleine Fluit-Scheepjens, die boven plat, en in ste van een verheven hut of Kajuit, een vooronder hebben, (...). Zij hebben een verdek.” Met dit laatste zal Witsen hebben bedoeld dat er boven de helmstok weliswaar geen hut aanwezig was, zoals bij de fluit, maar wel een klein dekje. Over de verwantschap tussen galjoten, fluiten en boten: om te beginnen waren er volgens Witsen twee soorten galjoten. Bij beide draaide de helmstok over het dak van de kajuit, maar bij de draei-overboort kon men de helmstok over het boord duwen, terwijl dit niet mogelijk was bij galjoten van het andere type, want die “werden (...) achter Fluitsgewijze opgeboeit, wanneer men hen de naem mede wel van Booten plagt te geven”. Door dit 'fluitsgewijze' opboeien deed het uiterlijk van het schip sterk aan een fluit denken. Dit is niet alleen het geval bij de tien boten zoals die door van Macheren in 1651 werden geschilderd, maar ook bij de vroegste afbeelding van een als zodanig genoemde boot van dit type, Den Salmander van Vlissingen van 60 last. De prent waar dit schip op voorkomt illustreert een actie tegen een Franse zeerover in 1619 en werd in het zelfde jaar uitgegeven door de Middelburgse kunsthandelaar Jan Pieterssen vande Venne, broer van de meer bekende schilder Adriaan.

De draai-overboord was dus een type galjoot dat geen gelijkenis vertoonde met de fluit, en ook niet met een type boot dat Witsen niet noemt, en dat ook niet op de fluit leek. Dit was een schip met een platte spiegel en een hoge opbouw achter, afgebeeld op de kaart van Nederland die door Hondius en Kaerius in 1602 is uitgegeven. Het bijschrift identificeert het als een 'boot' en geeft een laadvermogen van '120 ofte 130 Last' op. Dit type boot is in de eerste helft van de 17de eeuw in onbruik geraakt; dit zal de reden zijn waarom Witsen het niet kende. Op het oog een nogal ingewikkelde en verwarrende zaak. De tabel bij het schilderij van van Macheren (1651) suggereert dat het hoofdzakelijk een kwestie van grootte of laadvermogen was hoe een type schip van fluitachtige gedaante werd benoemd. Op dit schilderij zijn 14 fluiten afgebeeld, 10 bootschepen en een galjoot. Het laatste scheepstype was het kleinste, met een een laadvermogen van niet meer dan 30 last. Bij de bootschepen was de bovengrens 90 last, de ondergrens 32; het gemiddelde bedroeg 67 last. Het gemiddelde laadvermogen van de 14 fluiten bedroeg 137 last, van 90 tot 200 last. Deze keurige reeks van scheepstypen van opklimmende grootte: galjoot - boot - fluit, verhult echter wel de grote overlap in de benaming; niet voor niets zegt Witsen dat de fluitsgewijze opgeboeide galjoot 'mede wel' (dat betekent 'ook') 'boot' werd genoemd. Het is daarmee in overeenstemming dat de kleine fluit die we in de figuur zien afgebeeld, in het bijschrift van de anonieme kunstenaar in 1658 werd aangeduid als 't Galyoot Suylen.

Het was een van de drie galjoten van 25 last die in 1658 voor de Verenigde Oostindische Compagnie werden gebouwd. De accommodatie in de hut of kajuit werd in de 18de-eeuwse fluiten aanmerkelijk verbeterd door een wat bredere bovenbouw, maar deze breedte bleef toch beperkt door de bouwwijze zonder hekbalk. Witsen vermeldt hoe een betere bewoonbaarheid werd verkregen door een wijziging van het scheepstype, in een passage die veel is aangehaald: “De geslachten van Schepen worden dikmael zeer vermengt. Hekbooten zijn Schepen die onder als een Fluit, en boven als een Pynas zijn gemaeckt, 't geen gedaen wert om veel te laden, boven ruimte tot verblijf te hebben, en van aenzien te zijn. Over steven werdt een balk geleght, daer men op uitbouwt.” De dwarsbalk 'over steven' bevond zich op de plaats van de hekbalk bij een schip zoals de pinas. Bij de 17de-eeuwse hekboot eindigde de beplanking van de romp er niet op. Deze uitbouw gaf inderdaad een ruimere kajuit, want bij de vier hekboten in Chapmans Architectura Navalis Mercatoria van 1768 is de breedte van de kajuit achter bij het hakkebord 2/3 tot 3/4 van de wijdte van het schip; bij de Hollandse fluit, waar hij ook een tekening van geeft, was dit maar de helft. Hekboten werden niet alleen van fluitschepen afgeleid. Bij andere en oudere scheepstypen waar de beplanking achter ook alleen op de steven eindigde, werd het aanbrengen van een dwarsbalk om de bovenbouw op uit te bouwen al heel lang toegepast. Heinsius (1956) verwijst naar de Latijnse tekst van het tolreglement van het Zwin te Damme, dat in 1252 van kracht werd, en waarin al wordt gesproken over een schip van een type genaamd hegboth.

Bij het oorspronkelijk Hoornse 'katschip', een wel zeer lelijke zuster van de fluit, had men het principe om met een zo goedkoop mogelijk schip zoveel mogelijk lading met een zo klein mogelijke bemanning te transporteren tot het uiterste doorgevoerd. Het waren lompe, slechtzeilende bakbeesten, die veel konden laden. Ze waren bovendien licht, dus goedkoop, gebouwd, en konden eigenlijk alleen met hout (een lichte lading) volbeladen worden. Volgens Witsen, “Met graen ofte zout [zware lading] kan menze niet vol laden, zwaertens halve: en dus komt die stoffe licht te verschocken, 'tgeen gevaerlijk bij hart weder is.” De veiligheid was hier dus opgeofferd aan wat toen de 'profijtabelheid' werd genoemd. Dit beginsel was ook op deze extreme wijze gehanteerd bij de verdere uitrusting en tuigage. Andere schepen van die grootte werden toen met een hefboom op het uiteinde van de helmstok bestuurd, de 'kolderstok', maar bij de kat stak men “een touw door de helm-stock, waermede men het roer bestiert”, zoals op andere schepen wel bij zwaar weer werd gedaan; dit was zonder twijfel goedkoper. 'Onkostelijke' paalmasten werden aanvankelijk toegepast in plaats van duurdere masten opgebouwd met stengen op een ondermast, later niet meer. Blijkbaar waren de paalmasten duurder geworden. De voorzieningen voor de bemanning waren minimaal. De stuurman huisde blijkbaar in het vooronder, waar bij de meeste andere schepen het volksverblijf was. Witsen over - de kat: “Heeft geen hut maer een voor-onder” en “Voor de kajuit worden zomtijds afdakjens gemaeckt, tot verblijf van het volck, ...”. De breedte van kajuit bij het hakkebord was de helft van de wijdte van het schip in de 18de eeuw, zoals bij de fluit; Groenewegen maakte in 1789 een bekende prent van zo'n kat, die veel weg heeft van een fluit.