Bobbie van der Kemp

Voor rabbijn Soetendorp is het Moeke, de vrouw die zich over hem ontfermde in de oorlog. Voor mij is het juffrouw Kemp, iemand uit de wereld van opoe in Velp.

Voluit: Rie van der Kemp, weduwe van Bertus van der Kemp. Ze was katholiek, ze was afkomstig uit Duitsland. Wekelijks kwam ze de huur ophalen van dat huis aan de IJsselstraat waar mijn familie woonde. Mijn grootmoeder bracht haar ook weleens een tegenbezoek, in het laatste oorlogsjaar met name om kleertjes en eten te brengen. Rie van der Kemp, toch al een eind in de veertig, had toen een jongetje in de box zitten. Bobbie. Het kan haast niet anders of mijn grootmoeder heeft geweten dat dat een joods jongetje was.

Hij was op 16 februari 1943 in Amsterdam geboren. Het kostte zijn vader drie maanden om zijn moeder ervan te overtuigen dat ze hun kind moesten laten verdwijnen in de onderduik, om vervolgens zelf ook te kunnen onderduiken.

Er heeft zich weleens een oud-verzetsman gemeld met de mededeling dat hij hem in een koffer met luchtgaten naar Velp had gebracht.

Soetendorps eigen herinnering aan die periode is beperkt tot de angst van een kelder, de schrik van een artilleriebeschieting, een krijsende jongen met bloed aan zijn been - Heinz, de echte zoon van Rie van der Kemp. Dat was toen Velp bevrijd werd, half april '45, en bij diezelfde gebeurtenis moet Bertus van der Kemp het leven hebben gelaten.

Rie ging de straat op en klampte een verpleegster aan. Die zei dat ze beter een dokter kon gaan zoeken. Maar ik zit met joodse kindertjes, zei Rie.

Soetendorp: “Zelfs op dat moment dacht ze aan ons”. (Ons, want ze had ook nog een joods meisje in huis genomen).

Veel is hem later verteld door direct betrokkenen, en voor het overige: er lijkt geen eind te komen aan de rij mensen die met brokstukken van zíjn leven rondlopen. Je geeft ergens een lezing en iemand spreekt je aan. Je schrijft een stuk in de krant en iemand stuurt je een brief. Je bent op de televisie en iemand begint je telefoonnummer op te zoeken. Ze vertellen je wat zij nog weten of menen te weten en soms blijkt dat precies te passen, soms blijft het wringen. Zo vervloeien de contouren, en binnen die contouren de emoties.

Zijn vader en moeder zaten ondergedoken in Brabant. Ze wisten niet waar hij was. Dat mochten ze ook niet weten. Maar op gezette tijden kregen ze een ansichtkaart met een zinnetje over Bobbie tussen allerlei prietpraat. Bobbie lacht. Dus dat het goed met hem ging.

Toen ze heel lang geen bericht hadden gehad, werd zijn moeder gek van ongerustheid. Ze moest en zou naar Amsterdam om navraag te doen in kringen van de illegaliteit. Zijn vader zei: maar dat is levensgevaarlijk. Zijn vader zei: als je dan en dan niet terugbent, ga ik me melden.

En dan lopen die twee elkaar tegen het lijf op het station, zijn moeder op de terugweg, zijn vader al op weg om zich te gaan melden. En? Bobbie lacht, zegt ze. De hemel zij dank.

Maar toen de volgende Bobbielachtkaart kwam, viel ze flauw.

Want ze had gelogen.

En in Amsterdam hadden ze ook gelogen. Om zich van die opgewonden vrouw te ontdoen, om het gevaar van haar radeloosheid te bezweren, hadden ze gezegd dat Bobbie dood was.

Al in mei '45 verscheen zijn naam op de lijsten van overlevenden die in Amsterdam werden opgemaakt. Zijn vader reisde naar Velp en vond aan de Zuider Parallelweg een huis dat door een granaatinslag vrijwel in tweeën was gespleten. Moeke deed open, een verlegen jongetje aan haar rokken.

Omdat zijn vader wel begreep dat dat jongetje het moeilijk zou krijgen, vroeg hij Rie van der Kemp hen naar Amsterdam te vergezellen. Dat deed ze, ze bleef nog een paar maanden bij hem. En hij had het moeilijk.

Nu was het afgelopen met Bobbie, nu heette hij Sjalom (wat zelfs in het Hebreeuws, of misschien moet je zeggen: zeker in het Hebreeuws, een vreemde voornaam was).

Hij was zijn onderduikzusje kwijt en moest maar wennen aan een echt broertje (de in juli '45 geboren David).

Hij moest Moeke verruilen voor zijn moeder en die raakte, meteen na de oorlog al, in een diepe crisis - zij begon als het ware te verstenen, ze was er wel en ze was er niet.

“Ik wil jou niet”, riep hij haar jaren later nog toe. “Ik wil een andere moeder!”

Nachtmerries. Een verslindend vrouwengelaat kwam naar voren uit de muur achter zijn rug.

Weglopen. Altijd op de loop voor dat huis aan de Muiderstraat, waar hij nu thuishoorde. En een keer, toen ze toevallig op bezoek waren in Velp, toen wou hij echt wel terug, maar bij een garagebedrijf stond een paard op de stoep; hij durfde niet, hij kón er niet langs.

Scènes. Billenkoek. Een klein joods drama.

En in breder verband kun je toch niet anders zeggen dan dat 1946 een jaar van voortgezet onrecht was.

Er is een verhaal dat verteld moet blijven worden - in dit geval dat van zijn tante. Zij heeft het kamp overleefd, ze gaat op zoek naar haar bezittingen. Als ze op zeker adres aanbelt, wordt er opengedaan door een vrouw die háár japon aan heeft, en in de woonkamer zitten ze op háár sofa. Ja eh, zeggen die mensen, dat is nu van ons hoor; konden wij soms weten dat u terug zou komen?

Of stel dat zijn vader er niet meer was geweest om hem op te halen, zou Bobbie van der Kemp dan zijn teruggegeven aan de joodse gemeenschap - of zouden ze met de beste bedoelingen een christenkind van hem hebben gemaakt?

Heel dat idee, dat toen opgeld deed, dat joden niet anders behandeld moesten worden dan andere mensen, omdat dát discriminatie zou zijn, heeft de verwerking van oorlogsleed, voor zover dat nu eenmaal specifiek joods was, geen goed gedaan.

In de jaren vijftig woonde Rie van der Kemp, hertrouwd, in een boerderijtje aan de dijk bij Huissen. Soetendorp herinnert zich dat hij daar, elf, twaalf jaar oud, eens een week of twee is wezen logeren.

Op zondagmiddag werd er gedronken. Er was een volwassen jongen in huis met zijn verloofde, en die begonnen elkaar dan aan te halen. De sfeer raakte erotisch geladen.

“Moeke komt naar me toe”, zegt hij. “Ze strekt haar armen naar me uit. Wat zijn mijn gevoelens voor haar? Ik voel iets van een grote aanhankelijkheid, maar ook iets van een taboe, iets dat verboden is. Heel verwarrend.”

Het grappige is: in dat boerderijtje aan de dijk ben ik ook een keer geweest. Dat wil zeggen: juffrouw Kemp had wegens omstandigheden de herdershond van een tante van mijn moeder overgenomen. Hertha. Ik was erg aan die hond gehecht. Ik denk dat het vanwege die hond was dat ik mijn moeder heb overgehaald om naar Huissen te fietsen.

Hertha had jongen. En dat herinner ik me dan: de dijk, een schuur, de ongelukkige blik van een vrouwtjeshond met jongen.