Bleke archeologen in de Vogelkop; NEDERLANDERS ONDERZOEKEN OUDE PAPOEA-GROTTEN

Met hulp van schoolmeester Elimas Kambuaya verkennen Nederlandse onderzoekers prehistorische grotten in Nieuw-Guinea. De plaatselijke bewoners vonden het eerst maar raar dat het afval van hun voorouders werd opgegraven.

ALS OVERGANGSGEBIED tussen Zuidoost-Azië en Oceanië is de Vogelkop van Irian Jaya interessant voor geologen, botanici, demografen, linguïsten en cultureel antropologen. En voor archeologen. De migratie-route van Homo sapiens loopt in deze uithoek van west naar oost en de Vogelkop vormt een voor de hand liggend tussenstation. Alles bij elkaar reden genoeg voor het instellen van Irian Jaya Studies - a Program for Interdisciplinairy Research; kortweg ISIR.

Westerse wetenschappers loslaten op de andere kant van de wereld, dat gaat niet zomaar. Voorafgaand aan de eerste verkenning van het terrein in 1994 acclimatiseerden de archeologische participanten in ISIR, drs. J. Jelsma en drs. J. Pasveer (onderzoekers in opleiding aan de Rijksuniversiteit Groningen), daarom zo'n drie weken in Zuid-Sulawesi. Ze kwamen ginds onder de hoede van een oudgediende in de tropen, dr. G.J. Bartstra. Pasveer: ''Terwijl wij wenden aan het klimaat leerde hij ons hoe je veldwerk in de tropen aanpakt. Dat je om een uur of twee in de middag ophoudt met werken, omdat het dan te heet wordt. Dat je er rekening mee moet houden dat het grootste deel van de bevolking moslim is en dat zij op vrijdag naar de moskee willen. Van dat soort heel praktische dingen. En wat de omgang met de mensen betreft: dat de oudste in een gezelschap altijd de belangrijkste figuur is. Die moet je niet tegen het zere been schoppen. Dat de oudste aan tafel bepaalt wanneer er kan worden gegeten. Als je denkt: iedereen heeft opgeschept, ik begin maar vast...dat wordt als vreselijk onbeleefd beschouwd.'PREHISTORIE

Over de prehistorie van de Vogelkop was nauwelijks iets bekend. Wat literatuur, luchtfoto's en één opgraving in een grot aan de kust (Makbon), in 1990 uitgevoerd door de Amerikaan Solheim. Dus: waar te beginnen? De keuze viel op de omgeving van de Ayamaru meren, centraal in de Vogelkop. Een karstgebied. Pasveer: “Belangrijk was dat we organisch materiaal zouden vinden, goed geconserveerd en dateerbaar. Vaak is de conservering redelijk in grotten en ze zijn makkelijk localiseerbaar. Makkelijker dan verlaten kampementen en nederzettingen. Die worden binnen de kortste keren overwoekerd door het regenwoud. Karstgebieden zitten barstensvol grotten. Je kunt dat soort terrein selecteren vanaf geologische kaarten. Het bleek een heel grappig landschap. Allemaal bergjes als omgekeerde eierdoppen, vijftig tot honderd meter hoog. Daartussendoor lagen tuinen en voetpaden en verspreide dorpjes. Voor de rest laag, redelijk open regenwoud. In die afgeronde bergjes bevinden zich de grotten.”

Pasveer en Jelsma voerden de eerste verkenningen zelf uit. Ze vonden grotten, maar omdat de bodems daarvan onder water stonden, zouden ze niet geschikt zijn voor archeologisch onderzoek. Intussen hadden Pasveer en Jelsma kennis gemaakt met een Nederlands sprekende, Papoese onderwijzer: Elimas Kambuaya. Hij beloofde hun navraag naar grotten in de omgeving te doen in de tijd dat zij weer naar Nederland waren. Meester Kambuaya hield woord. Toen Pasveer en Jelsma in 1995 terugkwamen konden ze zo'n vijftien grotten bekijken waarvan het merendeel archeologisch materiaal bevatte. Aan de hand van boringen werden uiteindelijk twee grotten geselecteerd voor een opgraving: de Toé grot aan de zuidoever van het grootste Ayamaru meer en de Kria grot, iets noordelijk van het meest oostelijke meer. Jelsma nam de Toé grot voor zijn rekening, Pasveer de andere. Meester Kambuaya bemiddelde bij de huisvesting en de voedselvoorziening.

Na het ontbijt, tussen zes en halfzeven, moest Pasveer elke dag drie kwartier lopen naar de Kria grot. Het opgravingsteam op deze plek bestond naast haarzelf uit nog vier mensen. Johnny, een zestienjarige lokale jongen, twee geologen uit Bandung namens de Indonesische counterpart van het onderzoek, en meester Kambuaya. Pasveer: ''We hebben een meetsysteem uitgezet en zijn toen gaan graven. Telkens laagjes van vijf centimeter, want het sediment in de grot liet geen natuurlijke gelaagdheid zien. Dat was een grote massa. De vondsten werden ingetekend op geplastificeerd papier, de ergste modder eraf gewassen. We konden niet zoveel meenemen van hier, troffels en een grondboor en zo. Verder hebben we gebruik gemaakt van wat er te krijgen was. We ontdekten bijvoorbeeld dat de mensen daar een fijn soort kippengaas hadden waarvan wij zeven konden maken. Maar uiteindelijk ging dat toch niet, de grond uit de grot was te kleiig. Alles moest daarom met de vingers worden doorgewroet. 's Middags tegen een uur of vier hielden we op. Hadden we in de openlucht moeten werken dan waren we zeker twee uur eerder gestopt, maar in die grotten is het wat koeler.''

Niet bekend

KOELER KLIMAAT

Pasveer: ''De Kria grot is inmiddels goed gedateerd. De oudste datering gaat terug tot 6.900 BP. (Before Present = aantal jaren voor 1950; ThH.) Daaronder zat nog veertig centimeter grond, we hebben de bodem niet helemaal kunnen bereiken. Als je extrapoleert dan kom je op een begin van bewoning uit in ongeveer 8.000 BP. Dat is tussen zeg 7.000 en 6.000 voor Christus. Datering van de Toé grot bleek een probleem omdat het botmateriaal te weinig van het dateerbare collageen bevatte. Het leuke is echter dit. Alle dierenbot uit de Kria grot is van laagland-beesten, precies wat je daar ook zou verwachten. Ga je nu helemaal naar de onderste lagen dan zitten daar sporadisch dieren tussen die normaal gesproken in bergland wonen, in een koeler klimaat. We denken dat we hier te maken hebben met een staartje van de laatste ijstijd. Kijk je dan naar de Toé grot dan blijkt dat daar hetzelfde fenomeen aanwezig is, maar véél sterker. Daar zitten de diepste lagen boordevol met die bergdieren. We kunnen daarom aannemen dat de bewoning van de Toé grot ouder is en in het jongste deel van het Laat Pleistoceen thuishoort.''

De plaatselijke bevolking toonde veel, heel erg veel belangstelling voor het onderzoek en de onderzoekers. Pasveer: “Ze keken eerst raar tegen je aan. Dat je helemaal uit Nederland in hun gebied komt om het afval van hun voorvaderen op te graven. Voor hun was dat van de gekke. Toen ik het uitlegde snapten ze het echter en vonden het leuk. Zo leuk dat ze de hele dag om je heen hingen en je in stilte op je vingers zaten kijken. In Nederland zou je dat op je zenuwen werken, maar daar moet je dat accepteren. Geef ze eens ongelijk, ze willen wel weten wat je in hun achtertuin doet. Kwamen we terug van het werk dan gingen we eerst zwemmen in de rivier. Douchegelegenheid of iets dergelijks was er niet. Die mensen daar vonden het fantastisch, zo'n bleek vel, dus stond er dan weer een hele tribune vol te kijken. Dat totale gebrek aan privacy, daar had ik het soms erg moeilijk mee.”

Voor het overige vielen de ongemakken mee. Al is drie keer rijst per dag behoorlijk monotoon. Niemand is echter ziek geworden en ongedierte als slangen, spinnen, bloedzuigers en dergelijke liet zich weinig zien. Alleen probeerden wolken vliegen de avondmaaltijd te verpesten door het gezelschap van de tafellamp te zoeken. Pasveer: “Die hebben we toen maar buiten neergezet, dan kon je tenminste fatsoenlijk eten. Anders nam je bij elke hap een hap van die vliegen mee naar binnen.”

Pasveers terugkeer naar Irian Jaya het jaar daarop werd afgeblazen. Hoewel een gijzelingsactie en bijbehorende onrust verweg van de Ayamaru meren speelden, nam men het zekere voor het onzekere. Pasveer kon daarna niet meer terug: ''Maar in 1995 hebben we voldoende materiaal verzameld, in ieder geval genoeg voor het promotieonderzoek waar ik nu aan werk. Zover hadden we zonder hulp van de plaatselijke bevolking, en vooral van meneer Kambuaya nooit kunnen komen. We hebben hem daarvoor op een bijzondere manier bedankt. Bij analyse van de botten bleken er een paar dieren tussen te zitten die onbekend zijn. Een onderzoeker van het Western Australian Museum heeft dat ontdekt. Een van die beestjes draagt nu de naam van schoolmeester Kambuaya.''