Wonderkind en total loss; Nieuwe blik op de gedichten van Rimbaud

Arthur Rimbaud: Gedichten. Vertaald door Paul Claes. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 246 blz. ƒ 37,50

Venus Anadyomène, zo heet het gedicht. De titel is de klassieke aanduiding voor de uit het zeeschuim oprijzende Venus, godin van de schoonheid en van de liefde. In de eerste regels van het gedicht zien we ook daadwerkelijk een vrouw oprijzen: een baadster die zich langzaam uit haar badkuip verheft. Een oude badkuip, dat wel. En het eerste wat we van haar rijzende gestalte te zien krijgen is een hoofd met 'gepommadeerde' lokken en 'vol kale plekken'. Ze rijst niet sierlijk of bevallig op, maar 'log en stompzinnig', uit een badkuip die bij nader inzien meer weg heeft van 'een groene blikken doodskist'.

Na de eerste regels is wel duidelijk dat we hier niet met een godin te maken hebben. En dat de mooie tegenstelling tussen een zich langzaam verheffende vrouw en de langzaam langs haar ledematen afdalende blik van de dichter hier niet een traditionele lofzang op haar vele heerlijkheden zal opleveren. Droog, en met gepaste aandacht voor het detail, worden ons achtereenvolgens de dikke nek, de brede schouderbladen, de lagen vet op de lendenen, de lichtrode ruggengraat en de pokdalige rug voorgeschoteld. De opsomming eindigt met 'de brede kroep' die dit wiegende lichaam ons aanbiedt, 'afzichtelijk mooi met een steenpuist op de anus' - meteen ook het einde van het gedicht.

Het is een bijzonder gedicht, dit portret van een Venus in de gedaante van een lomp mokkel met huidproblemen. Naar de vorm is het een keurig sonnet. Inhoudelijk is het een mooie omkering van het zogenaamde blazoengedicht, de ode op het lichaam van de geliefde, die eigenlijk aan de voorkant, ter hoogte van de venusheuvel, haar hoogtepunt had moeten vinden. Bijzonder is ook de vanzelfsprekende en trefzekere toon: het model wordt zakelijk, van een afstand in ogenschouw genomen, zonder de spotzucht die bij zo'n onderwerp nogal voor de hand ligt. Het lijkt eerder alsof hier met liefde over lelijkheid wordt geschreven en met een hoge inzet: alsof de dichter er veel aan gelegen was te bewijzen dat er, zoals hij aan het slot doet, maar één woord op Venus rijmen kan: anus.

Het bijzonderste is nog wel dat het geschreven werd door een jongen van vijftien jaar, die zich toen nog niet eens zo lang op het schrijven van gedichten had toegelegd. Hij was onmiskenbaar een talent, dat het niet bij één of enkele geslaagde gedichten liet, maar zich zo snel ontwikkelde dat hij al binnen een jaar besloot dat het allemaal anders moest. Een gedicht als 'Venus Anadyomène' beschouwde hij toen al, op zijn zestiende, als waardeloos. Hij sloeg een nieuwe, ook voor hemzelf nog onbekende richting in, werd onbedoeld de wegbereider van een heel nieuwe opvatting over poëzie, liep vast in zijn experimenten en trouwens ook in zijn leven, waarna hij er - en dat is misschien nog wel het meest bijzondere van alles - de brui aan gaf, op zijn twintigste.

Hij zou nooit meer een regel poëzie schrijven. Hij belandde, na enige omzwervingen, in Djibouti en Abessinië, alwaar hij zich vestigde als handelaar in dierenvellen, goud, ivoor, musk, geweren - en steelpannen. Naar verluidt hield hij zijn boekhouding nauwgezet bij, maar rijk werd hij niet, daar in Harar. Zijn vroegere collega-dichters dachten dat hij al jaren dood was, toen hij in armzalige omstandigheden overleed, op 37-jarige leeftijd.

De naam van deze steelpannetjeshandelaar: Arthur Rimbaud, 1854 - 1891. Het is bijna niet meer mogelijk hem nog onbevangen te lezen, want daarvoor is hij na zijn vroege dood te beroemd geworden. Rimbaud is een mythe, een fenomeen, een type. Hij is de belichaming van het romantische cliché van 'de komeetachtige verschijning', 'de dichter van de explosie', 'de revolutionair', de jonge dichter die met alles breken wil en zich in het onbekende durft te storten.

Hij is daarnaast ook nog steeds 'een raadsel', en dus een dankbaar onderwerp voor veel biografisch gespeculeer. 'Een wonderkind en een total loss', zo karakteriseert Paul Claes hem in zijn inleiding bij Rimbauds Gedichten. Dat boek biedt alles wat men zich voor de vertaling en introductie van een belangrijk buitenlands dichter kan wensen - en nog wel meer. Een biografische schets. Een erg heldere uiteenzetting van Rimbauds ontwikkeling en opvattingen, stijl en thematiek, waarin de belangrijkste secundaire literatuur beknopt is opgenomen. Een bibliografie, een uiteenzetting over de gebruikte bronnen en over de vertaalmethode. Per gedicht een opgave van bron, datering, taal- en stijleigenaardigheden, invloeden van andere dichters, vertaalproblemen, achtergronden, en enkele voorstellen voor een interpretatie.

Claes maakte een ruime keuze uit zowel Rimbauds 'vroege' als zijn 'laatste' verzen - al blijven dat vreemde termen bij een dichter die er zo snel en zo jong al weer mee ophield. Over de kwaliteit van zijn vertalingen kan ik als geïnteresseerde leek niet oordelen - al zegt het geloof ik wel iets dat ik vrijwel nergens de indruk had vertaalde poëzie te lezen. Een prachtig boek dus, dat ook nog eens een nieuwe blik op Rimbaud biedt, al was het alleen maar omdat in de literatuurgeschiedenis het beeld van deze dichter zo langzamerhand is versmald tot dat van een voorloper van modernistische opvattingen, een theoreticus bijna, haast nog belangrijker wegens zijn zienersbrief dan om zijn gedichten. Die brief is, zoals Claes zegt, 'een baken in de moderne literatuur' geworden, eindeloos vaak geciteerd: de zestienjarige dichter die ontdekt dat 'Ik' een ander is, dat de dichter 'een ziener' moet worden, en wel door 'een langdurige, buitenmatige en beredeneerde ontregeling van alle zintuigen', en die vervolgens naar deze nieuwe inzichten probeert te dichten en te leven. 'Le Bateau ivre' ('De dronken boot') is er het eerste, en misschien ook wel meteen overtuigendste bewijs van. Het is hier in een nieuwe vertaling te vinden, net als het vaak geciteerde 'Voyelles' ('Vocalen') en de gedichten uit Une saison en enfer. Maar het latere proza en de latere prozagedichten, die ook sterk het overgeleverde beeld van Rimbaud hebben bepaald, ontbreken hier.

In Gedichten is het vroegere werk daardoor goed vertegenwoordigd, met als logisch gevolg een zekere relativering van het latere. Het hangt natuurlijk allemaal af van de kennis van de lezer, maar in deze bloemlezing bleek het vroegere, traditionelere en onbekendere werk veel meer verrassingen te bevatten dan het pre-modernistische. 'Venus Anadyomène' is er een voorbeeld van. 'De slaper in het dal': al even subliem, met een al even wrange pointe. 'Sonnet van de reet', samen met Verlaine geschreven: een beeldrijke lofzang op het menselijke, meer in het bijzonder het mannelijke aarsgat. 'Zevenjarige dichters': een lange verhalende verwerking, in de hij-vorm, van zijn eigen jeugd. In 'De luizenzoeksters' wordt een prachtig tafereel opgeroepen van een jongen die door twee zusters bij een zomers raam op luizen wordt onderzocht: sfeervol, verstild, en geheimzinnig erotisch.

Dat een vijftien- of zestienjarige dit soort subtiele gedichten schreef is een wonder - en misschien nog wel een groter wonder dan dat hij zich even later in een symbolische dronken boot de wereldzee op zou slingeren. Rimbauds vroege poëzie doet authentieker en minder gedateerd aan dan de vernieuwende poëzie die erop volgde. Dat hij zijn jongelingsgedichten al snel verwierp is bekend, maar nu, na ruim een eeuw modernisme en Rimbaud-navolging, valt niet meer te zien wat er mis mee was. Het verwerpen van verzen zegt bij deze komeetdichter ook eigenlijk niet zo veel. Ook zijn latere werk kon hem al snel gestolen worden, toen hij in Harar de poëzie had ingeruild voor de nobele kunst van de handel in dierenvellen, goud, ivoor, musk, geweren en steelpannen.

Uit: Arthur Rimbaud, Gedichten. Vertaling Paul Claes

Venus Anadyomène

Als uit een groene blikken doodskist duikt met lokken Die bruin zijn en gepommadeerd, een vrouwenkop Vol kale plekken, kwalijk aan het oog onttrokken, Log en stompzinnig uit een oude badkuip op; Dan, vaal en vet, de nek, de brede schouderbladen Die uitsteken; de rug die krimpt en zich verbreidt; De ronding van de lenden die zich openspreidt; Onder het vel zijn platte lagen vet te raden: De ruggengraat ziet lichtjes rood en het geheel Biedt een verschrikkelijk vreemde aanblik; er is veel Merkwaardigs om te bestuderen met een loep... Twee woorden prijken op de lenden: Clara Venus; - En heel dit lichaam wiegt en biedt de brede kroep, Afzichtelijk mooi met een steenpuist op de anus.