Vertrek van Locarno-directeur Marco Müller nabij; Bestuur en directeur van Filmfestival vechten over strategie voor de toekomst

LOCARNO, 14 AUG. Het ziet er niet naar uit, dat het vóór morgen nog goed komt tussen Marco Müller, de directeur van het Filmfestival in het Zwitserse Locarno, en de stichting achter het festival die per 1 oktober Müllers contract zou moeten verlengen.

Müller beschuldigde gisteren in een open brief het stichtingsbestuur van uitverkoop van de filmkunst aan 'politiek met een kleine p' en commerciële belangen. De stichting van haar kant wil op deze beschuldigingen niet in het openbaar ingaan, maar blijkt een headhunter in de arm te hebben genomen die op korte termijn een nieuwe directeur moet vinden.

Plotseling gaan de gesprekken op het lopende, 51-ste filmfestival van Locarno - het zevende dat door Marco Müller geleid wordt - niet meer over de films, maar voornamelijk over de directeurskwestie. Op het meer dan achtduizend toeschouwers bevattende Piazza Grande van de stad, waar de befaamde openluchtvoorstellingen plaatsvinden, waren gisteren filmliefhebbers te zien die de tekst Grazie Marco (bedankt Marco) op hoedjes hadden geplakt, anderen lieten met een fluitconcert hun gevoelens de vrije loop, toen Müller het podium besteeg. Onder een van de aardigste filmfestivals van Europa lijkt plotseling de organisatorische basis weggevallen.

De controverse zet zich voort in de Zwitserse filmpers. Duitstalige bladen lijken veelal Müllers vertrek toe te juichen: de directeur wordt hoogmoed en gebrekkige verstandhouding met de rest van de Zwitserse filmwereld, de media en de sponsors verweten. De Italiaans- en Franstalige pers ziet in Müller eerder een voorvechter van de filmkunst en wijst erop dat hij van het stoffige festival van Locarno een levendig forum voor vooral films van beginnende regisseurs heeft weten te maken.

De belangen van filmtoeschouwers en filmmakers, zegt Müller, zouden in Locarno op de eerste plaats moeten komen. In plaats daarvan kiest het stichtingsbestuur, vooral in de persoon van zijn voorzitter, Raimondo Rezzonico, de kant van bureaucraten zonder liefde voor de kunst. Ze zouden erop uit zijn, het festival te verkwanselen aan commercieel marktdenken en de belangen van de filmindustrie.

In eerste aanleg draait het conflict om de materiële infrastructuur van het festival. Zo beschikt een van de voornaamste vertoningsplaatsen, een sporthal in een buitenwijk, over zeer luidruchtige en gebrekkige luchtafzuigers, die bij warm weer van de ruimte een benauwde broeikas maken. Hetzelfde geldt voor andere festivallocaties.

De zeer gebrekkige hotelaccommodatie in Locarno beperkt de mogelijkheden tot het uitnodigen van sterren en andere prominenten uit de film, die het festival een door alle partijen gewenste glamour kunnen verlenen. Een van de juryleden, de componist Goran Bregovic, heeft Locarno vorige week voortijdig verlaten, omdat aan hem geen hotelsuite ter beschikking werd gesteld.

Müller zegt dat stichtingsbestuur en de geldschieters van het festival ten aanzien van deze structurele tekortkomingen nooit verder zijn gekomen dan vage toezeggingen. Achter deze verwijten schuilt een meer algemene problematiek voor de kleinere filmfestivals van Europa zoals Locarno of ook dat van Rotterdam, waarvan Müller van 1989 tot 1991 overigens directeur is geweest. De filmwereld is in toenemende mate ten prooi aan een cultuuromslag in de richting van commercialisering en publiciteitsbewustheid. De vanzelfsprekendheid waarmee kleinere, meer kunstzinnige speelfilms in een gemoedelijke sfeer op dit soort festivals werden gepresenteerd, is voorbij.

De makers en financierders van deze films mikken op eersterangs-festivals in Europa als Cannes, Venetië of Berlijn, waar - in tegenstelling tot Locarno - de internationale filmpers en filmhandel massaal vertegenwoordigd zijn, en die tegenwoordig voor de 'kleine' film uitgebreide vertoningsmogelijkheden hebben.

Kleinere festivals staan voor een dilemma: klein blijven en er vrede mee hebben dat hun importantie vooral ligt in het lanceren van films voor een regionaal publiek. Of proberen de groten naar de kroon te steken, wat aanzienlijke investeringen in geld en vindingrijkheid vergt.

Voor zover dat uit de wederzijdse verdachtmakingen en de achterklap valt op te maken, gaat het in Locarno om de strategie voor de komende jaren. Müller schrijft dat hij van Locarno geen 'klein Cannes of Venetië' wil maken. Wel eist hij - onder behoud van de kunstzinnig gerichte opzet - aanzienlijke investeringen. De stichting ziet mogelijkheden tot het aantrekken van nieuw, vooral commercieel kapitaal, maar - volgens voornoemde headhunter in een vraaggesprek met de Tessiner Zeitung - niet met Marco Müller als directeur. Die zou niet met sponsors kunnen omgaan, en ook de omgang met Zwitserse autoriteiten heet niet zijn sterkste punt.

Müller, die elke avond op de Piazza grande hoogstpersoonlijk de film inleidt, lijkt met de dag aan zelfvertrouwen in te boeten. Dat klopt niet erg met het door zijn vijanden in omloop gebrachte gerucht dat Müller alleen maar een excuus zoekt om Locarno te verlaten omdat hij directeur van het festival in Venetië wil worden. De bitterheid van het geheel wekt reminiscenties aan de sfeer waarin Müller in 1991 uit Rotterdam vertrok.

Met spanning kan worden uitgekeken naar de avond van morgen, als op de Piazza grande de sluitingsceremonie van het festival plaatsvindt, met de uitreiking van de prijzen en een toespraak van de directeur. De feestelijke receptie na afloop wordt, naar het schijnt, meteen het afscheid van directeur Müller. Want die laat in zijn open brief weten 31 september, de laatste dag van zijn arbeidscontract, niet te zullen afwachten.