'Srebrenica' verdeelt insiders

De marechausseevereniging is tevreden met de maatregelen die minister De Grave gisteren in de kwestie-Srebrenica heeft genomen. De oud-bewindslieden Stemerdink en Frinking houden bedenkingen, en oud-generaal Huyser spreekt van 'opgeblazen lucht'.

ROTTERDAM, 14 AUG. Vice-voorzitter J. Wassink van de Marechausseevereniging is tevreden met de maatregelen van die minister De Grave van Defensie gisteren heeft aangekondigd in de zaak-Srebrenica. “Uit De Grave's brief aan de Kamer blijkt dat justitie niet alleen onderzoek gaat doen naar het feit dat met een pantserwagen over mensen heengereden is, maar ook dat het openbaar ministerie het hele debriefingrapport nog eens gaat nakijken.”

Justitie heeft volgens Wassink de afgelopen jaren “meerdere keren elementen van strafbare handelingen” onder ogen gekregen, maar “men heeft daarin elke keer onvoldoende aanleiding gezien om over te gaan tot strafrechtelijk onderzoek”.

Ook is Wassink blij dat commissaris van de koningin J. van Kemenade van Noord-Holland behalve de nasleep van de val van de moslimenclave Srebrenica ook het gedrag van Nederlandse militairen bij vredesmissies als in Cambodja en Angola zal onderzoeken. “Dan komt bijvoorbeeld ook het verdwijnen van een dagboek in het Angoladossier aan de orde.”

Minister De Grave zei gisteravond in een toelichting op zijn maatregelen “heel goed te begrijpen dat bij velen vragen leven” over de wijze waarop met het 'Srebrenica-dossier' is omgesprongen. “Die vragen heb ik zelf ook”, aldus De Grave.

Zijn voorganger A. Stemerdink (PvdA), van begin tot eind 1977 minister van Defensie in het kabinet-Den Uyl, wees er gisteravond in het NOS Journaal op dat de zaak-Srebrenica de verhouding tussen het politieke en het militaire bedrijf verder onder druk zet. “Je ziet dat bij Srebrenica, onvoldoende afgedekt door een mandaat van de Verenigde Naties, militairen in een buitengewoon moeilijke positie verkeren. Als het dan fout gaat, wordt er gezegd: 'Karremans is fout', de commandant ter plaatse.” De hernieuwde politieke aandacht voor de zaak-Srebrenica heeft volgens Stemerdink in combinatie met de recente behandeling van Defensie als “restpost bij kabinetsformaties” er toe geleid dat “Defensie zich altijd in de hoek gedrukt voelt en dat ze zich aaneensluiten, opsluiten binnen hun eigen wereldje.”

“Dat betekent', aldus Stemerdink, “dat de militaire top nooit méér aan de politieke top zal doorgeven dan wat echt noodzakelijk is. Zoals de zaken er nu voorstaan, kan een minister van Defensie in de huidige structuur en met de huidige instelling vanuit het militaire apparaat er niet op vertrouwen dat hij alle gegevens krijgt.”

De CDA'er A. Frinking was van juni 1993 tot augustus 1994 staatssecretaris van Defensie in het derde kabinet-Lubbers. Daarvoor was de oud-luitenant-kolonel zestien jaar parlementslid als defensie-specialist. “Er is een grote fout gemaakt: voor de debriefing hadden behalve de militairen ook de minister en de officieren die formeel onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties opereerden moeten worden ondervraagd. Dutchbatters kunnen geen goed totaalbeeld hebben van de operatie als geheel, van zo'n operatie met zo'n politieke impact. Dat hen dat toch is gevraagd, heeft me vanaf het begin verwonderd.”

Voormalig chef defensiestaf generaal b.d. G.L.J Huyser was samen met J. de Ruiter extern adviseur bij de zogenoemde debriefing van Nederlandse militairen die in juli 1995 in de moslimenclave Srebrenica aanwezig waren. Huyser: “De affaire die zich nu voordoet is opgeblazen lucht. Een heleboel mensen proberen er politieke munt uit te slaan, vreselijk.”

“Onze tijd en plaats van arbeid was beperkt, dus ook onze opdracht. Vanaf het begin van de schermutselingen tot en met de val van Srebrenica. Dat had de politiek zo bepaald. De Ruiter en ik hadden graag mensen laten horen buiten de ons beschikbare periode, maar dat was niet toegestaan.

“De Ruiter en ik waren toezichtshouders. We letten erop dat het team van debriefers - een groot aantal mensen dat in groepen van drie mannen en/of vrouwen werkten - de goede methoden hanteerden. Iedereen moest kunnen zeggen wat hij of zij wilde. We deden als het ware steekproeven: De Ruiter heeft een aantal debriefings meegemaakt, ik heb er een aantal meegemaakt. De debriefers maakten van alle 460 betrokkenen verslagen, die De Ruiter en ik alle hebben doorgelezen. De grootste gemene deler van het verhaal van de gehoorde mensen is in een rapport opgenomen. Er is toch ook vermeld dat er mensen omver gereden zijn.”