Het leek me heerlijk om beroemd te zijn; Gesprek met toneelschrijfster Yasmina Reza

Het wereldwijde succes van haar toneelstuk 'Art' heeft Yasmina Reza glorieuze momenten bezorgd. Rustig is ze er niet van geworden, nog steeds is ze op zoek naar “iets dat maar niet gebeurt”.

Yasmina Reza: Hammerklavier. Vertaald door Eef Gratama. Uitg. Arena/Kritak, 120 blz., ƒ 29,90.

Théâtre (Conversations après un enterrement, La traversée de l'hiver, Art). Uitg. Albin Michel, 284 blz. ƒ 51,60.

L'homme du hasard, Uitg. Albin Michel, 65 blz. ƒ 26,55.

Dit najaar wordt 'Art' opgevoerd in o.a. Madrid, Stockholm, Kopenhagen, Leblon (Brazilë), Moskou, Istanbul, Belgrado en Bombay. Toneelgroep Teneeter speelt 'Kunst' van ma 31 aug t/m wo 2 sept in Theater Bellevue, Amsterdam.

“Het publiek is vulgair. Het heeft geen enkel respect voor wat het hoort of ziet. Als je naar een concert gaat, beginnen de mensen al te klappen voordat de laatste klank is weggestorven. Ze moeten zo nodig laten zien dat ze enthousiast zijn of dat ze het eind hebben herkend. Vreselijk vind ik dat. Het is ook erg storend voor de musici, want zo'n reactie betekent dat ze niet echt geluisterd hebben, dat ze niet werkelijk geraakt zijn. Die behoefte aan stilte aan het eind heb je minder bij toneel, omdat dat een minder verheven kunstvorm is dan muziek. Wat mij wel irriteert is dat uitzinnige lachen van sommige mensen tijdens een stuk. Het publiek voelt zich tegenwoordig de gelijke van de kunstenaar en is erop gespitst zich te laten horen, terwijl het zich juist discreet op de achtergrond zou moeten houden.”

Toneelschrijfster en actrice Yasmina Reza (39), die vier internationaal zeer succesvolle toneelstukken op haar naam heeft staan en onlangs ook een bundel autobiografische teksten publiceerde, beseft maar al te goed dat ze met dergelijke uitspraken velen tegen zich in het harnas jaagt. Haar laatste stuk Art (1994) werd in meer dan twintig talen vertaald. Het vierde triomfen in veel Europese hoofdsteden, waaronder Parijs, Londen, Berlijn, Moskou en Tel Aviv, en sleepte menige grote toneelprijs in de wacht. In Duitsland werden er maar liefst tachtig verschillende producties van het stuk op de planken gezet. De Nederlandstalige versie (Kunst) werd twee achtereenvolgende seizoenen gespeeld door het Noord Nederlands Toneel onder regie van Albert Lubbers, die het stuk daarna regisseerde bij de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. Ook toneelgroep Teneeter speelde Kunst, onder regie van Matthijs Rümke, en zal het stuk binnenkort hernemen. Onlangs werd Art, dat in maart in New York in première ging, met een Tony Award bekroond.

“Natuurlijk lijkt het hypocriet als ik zeg dat ik mijn publiek niet wil ontmoeten, want mijn leven zou er heel anders uitzien als er niemand naar mijn stukken ging”, zegt Reza, nerveus gezeten op het puntje van haar roodpluchen fauteuil. Haar onopvallende, fragiele verschijning - paardenstaart, eenvoudig zomerjurkje, zwarte zonnebril - is moeilijk te rijmen met haar gedurfde, zelfverzekerde uitspraken. Ze spreekt gehaast en schuift zo rusteloos heen en weer dat ik de indruk heb dat ze ieder moment kan opspringen en wegrennen. Ze blijft vijftig minuten zitten.

“Toneel is niet voor het volk. Ik wil dat het publiek naar mijn stukken gaat, maar dat neemt niet weg dat ik vind dat kunst elitair moet zijn. Ik verafschuw alles wat riekt naar massa-kunst, of dat nu musea zijn of straatfeesten zoals het Fête de la Musique. Als het grote publiek toetreedt tot de cultuur, haal je die per definitie naar beneden. Ik zou bijvoorbeeld nooit twee uur in de rij gaan staan om een bepaalde expositie te zien, zoals hier tegenwoordig heel gewoon is. Eenmaal binnen ben je moe en sta je voor één schilderij te dringen tussen zestig anderen. Wat kun je dan nog voelen? Geef mij maar een reproductie uit een boek. Die zijn vaak even goed als de schilderijen zelf. Toen ik laatst in Moskou was, voor de Russische première van Art, ben ik ook niet met mijn collega's meegegaan om op een holletje alle musea te bezoeken. Ik wilde de markten zien, de straten, de mensen, het echte leven.”

Huidarts

Reza heeft zich niet beperkt tot het bijwonen van de premières van haar stuk in de belangrijkste Europese hoofdsteden. Ze houdt er niet van dat dingen die zij geschapen heeft haar ontglippen en heeft in veel landen alles van a tot z bepaald: de keuze van het theater, van de regisseur en de rolverdeling. “Alleen in landen waarvan ik de taal niet spreek, Kroatië en Letland bijvoorbeeld, maar ook Nederland, heb ik me nergens mee bemoeid en maar vertrouwen gehad in het toneelgezelschap. Voor Art is het essentieel dat de acteurs goed zijn, anders wordt het een ramp.”

Het stuk kent een bezetting van drie acteurs: een huidarts die voor een astronomisch bedrag een volledig wit schilderij koopt en twee goede vrienden die zijn aankoop bespottelijk vinden, waardoor hun vriendschap onder druk komt te staan. “Op een dag vertelde een intieme vriend mij dat hij voor 200.000 Franse francs een wit schilderij had gekocht”, aldus Reza, “wat je noemt een opmerkelijke aanschaf. Ik wist dat hij van moderne kunst hield, maar niet dat hij kapitaalkrachtig genoeg was om zoiets te kopen. Hij is niet uitzonderlijk rijk, gewoon arts, dermatoloog. Ik ben bij hem thuis het kunstwerk gaan bekijken en moest erom lachen. Hij lachte met mij mee en er is niets in onze vriendschap veranderd. Maar toen ik thuiskwam realiseerde ik me dat hij beledigd had kunnen zijn door mijn reactie. Stel je voor dat hij niet had gelachen! Ik wist dat ik een interessant uitgangspunt voor een toneelstuk had gevonden en in gedachten zag ik meteen wie de acteurs zouden moeten zijn: Pierre Arditi, Pierre Vaneck en Fabrice Lucchini. Anderhalve maand later had ik het stuk af.”

Al naar gelang de accenten van de voorstelling, werd het stuk geïnterpreteerd als een reflectie op de kwetsbaarheid van vriendschap of als een aanklacht tegen de abstracte kunst. “Mijn stuk gaat niet over moderne kunst, die interesseert mij niet. Maar het is wel een aanklacht tegen dat verschrikkelijke terrorisme dat ons wil laten geloven dat iedere nieuwe, extreme kunstuiting vooruitgang betekent. Tegenwoordig beschouwt men alles wat nieuw is als positief, beter dan het oude. Als je niet van volledig witte schilderijen houdt, sta je meteen te boek als reactionair. Dat stempel kreeg ik vanaf het begin opgedrukt. Vreemd genoeg heb ik die reactie helemaal niet gehad in New York, dat toch hèt centrum is van de moderne kunst.”

In wezen gaat Art over het verlies van vriendschap. Daarom is de leeftijd van de acteurs ook zo belangrijk. Dertig jaar, zoals in de Nederlandse productie, is veel te jong. Op die leeftijd is het niet zo dramatisch als je met iemand gebrouilleerd raakt, want je hebt je hele leven nog om nieuwe vrienden te maken of om je te verzoenen. Op je vijftigste is zoiets veel erger. In New York was Alan Alda, die de rol van Marc had, rond de zestig, dus iets ouder dan Serge (Victor Garber) en Yvan (Alfred Molina). Dat ging prima, want hij is de geestelijke mentor, de inspirerende vaderfiguur van de anderen. De Amerikaanse productie, in The Royale, vond ik de beste van allemaal. De acteurs waren ronduit geniaal. Het stuk klonk fantastisch in het Amerikaans, veel beter dan in het Engels. De Amerikaanse versie stond veel dichter bij de Franse, was ritmischer, had meer vondsten. Dan merk je pas hoe open en rijk het Amerikaans is en hoe gesloten en conventioneel het Engels. De Russische vertaling was ook prima. In Moskou had ik dezelfde regisseur als in Parijs en daarom leken de voorstellingen erg op elkaar. Dan hoor ik toch liever het Frans. Die in Tel Aviv vond ik vreselijk. Er werd in een razend tempo gespeeld, zonder een enkele stilte. Daar schijnen de Israeliërs van te houden. Het stuk was maar liefst twintig minuten korter.''

Openbaring

Bij iedere nieuwe interpretatie die ze zag, verbaasde Reza zich weer over de elasticiteit van het stuk. “Ik wist wel dat het goed in elkaar zat, dat het een rijk stuk was. Maar ik was ervan overtuigd dat het, om technische en stilistische redenen, in een zekere intimiteit gespeeld moest worden. Het was voor mij een openbaring dat het overeind bleef in de a-psychologische, post-brechtiaanse, commedia dell' arte-versie die Peter Stein in Berlijn op de planken zette. Dat het weerstand bood aan die heen en weer rennende acteurs in de grote zaal van de Schaubühne, vond ik ongelooflijk. Toen zag ik pas dat het echt de kwaliteit van een klassiek stuk had.”

Wie ergens een van de versies van Art heeft gezien, weet dat er veel valt te lachen. Toch is het geen komedie. Reza: “Het is een wreed stuk, 'a funny tragedy', zoals de Engelse regisseur tegen me zei. Lachen heeft niets te maken met gevoelens van blijheid, van geluk of van optimisme, eerder met het tegenovergestelde. Er is nu eenmaal weinig dat vrolijk stemt als je 's ochtends wakker wordt. Het meest heb ik gelachen met wanhopige mensen in werkelijk tragische situaties, zoals toen mijn stervende vader Hammerklavier van Bach probeerde te spelen.” In haar onlangs vertaalde bundel autobiografische impressies met dezelfde titel schrijft Reza: 'Het is eigenlijk om te huilen. Hammerklavier verkracht. Mijn vader stervende. Het halfduister dat al die tekenen van het verval accentueert. Maar in plaats daarvan werkt het op mijn lachspieren. Ik krijg zo de slappe lach als ik nog nooit eerder heb gehad.'

“Lachen is een soort agressie”, legt Reza uit, “een manier om andere gevoelens te verdrijven, om de absurditeit van het leven draaglijk te maken. Die spottende humor is ook iets typisch joods. Je maakt je als het ware los van de loden last van je bestaan, je werpt een afstandelijke blik op je eigen situatie en dan kan je andere 'ik' erom lachen. Ook in de grootste wanhoop valt er wel iets te lachen. Als dat niet zo was, kon je wat mij betreft wel uit het raam springen.”

Hoewel Reza niet orthodox is opgevoed voelt ze zich joods in haar manier van spreken, van denken, van naar de wereld kijken. “Mijn moeder was een violiste uit Hongarije, mijn vader was van Iraanse afkomst, maar hij werd in Moskou geboren. In zijn familie was er niemand cultureel geïnteresseerd. Hij heeft op eigen kracht de muziek en de beeldende kunst ontdekt, was een groot verzamelaar van meubels en schilderijen. Mijn ritmische intuïtie, mijn zoeken naar diepte en mijn obsessie niets overbodigs te schrijven komen allemaal voort uit mijn dagelijkse omgang met de muziek. Ik ben opgegroeid in een erg cultureel milieu. Daarom is cultuur voor mij in zekere zin niets waard. Het is normaal, het is het minimum.”

In Hammerklavier vertelt Reza met grote openheid over haar overleden vader, over haar kinderen, vrienden, maar vooral over zichzelf: haar ongeduld, haar angst voor het verstrijken van de tijd, haar innerlijke onrust en haar opstandigheid. Het zijn herkenbare, goed getroffen, soms ontroerende impressies die veel zeggen over de vrouw achter Art. “Een toneelstuk is een ééndagsvlieg. Mensen hebben niet werkelijk de tijd om zich te herkennen. Een boek kun je op je laten inwerken, je kunt het wegleggen en weer oppakken. Ik schrijf omdat het leven ontoereikend is. Schrijven is een laatste toevlucht, een doekje voor het bloeden. Het is een manier om te compenseren wat er aan het leven ontbreekt.”

Liefdesverdriet

Zowel in de bundel als in de toneelstukken wordt opvallend weinig over liefde gesproken. “Liefde is een droom, een wil, een wens. Het is voor mij meer een eindbestemming dan een realiteit, hoewel ik in mijn leven verschrikkelijk heb liefgehad en dat nog steeds doe. Maar er blijft altijd een leegte, een verlangen naar iets dat er niet is.” In haar boek schrijft Reza over de utopische voorstelling die de verbannen Roemeense dichter Cioran had van zijn vaderland en noteert dat 'creatieve mensen uit het niets weten te scheppen. Ze vullen leegtes op, verheffen de mensen en de dingen tot het niveau waarop zij hen zien staan. Het tragische is alleen dat ze niet beseffen dat zij dat doen.' Voor het eerst sinds het begin van ons gesprek blijft Reza onbeweeglijk zitten. “Dat heb ik geschreven op een dag van verschikkelijk liefdesverdriet. Liefde associeer ik veel meer met pijn dan met geluk.”

In Hammerklavier schrijft ze ook over haar behoefte aan een jachtig bestaan met een volle agenda. “Het is pathetisch, ik weet het. Ik ben niet rustig, niet sereen. Ik ben voortdurend op zoek naar iets dat maar niet gebeurt. Ik heb het succes gezocht omdat ik dacht dat ik het heerlijk zou vinden om beroemd te zijn. Ik heb voor een toneelschrijfster heel bijzondere, glorieuze momenten meegemaakt. Die heb ik heel intens beleefd. Maar ik heb geconstateerd dat dat ook niet was wat ik zocht. Wat zoekt een mens nu eigenlijk?”

Ze staat op, verontschuldigt zich. Ze is al laat voor een volgende afspraak - met een Zwitserse filmcrew die een nieuw scenario verfilmt.