Geen haar beter dan de rest

Jared Diamond: Guns, Germs and Steel. A Short History of Everybody for the Last 13,000 Years. Jonathan Cape (1997), ƒ 75,60 (geb.), Vintage, ƒ 33,60 (pbk)

Hoe komt het dat de blanken zoveel dingen hebben en wij zo weinig, vroeg een Nieuwguinese politicus genaamd Yali in 1972 aan professor Jared Diamond van de Universiteit van Californië. Hij kreeg toen een voorlopig antwoord; het uitgewerkte verscheen vorig jaar als een zeer succesvol boek, dat nu in paperback is verschenen.

Het gaat niet alleen over Nieuw Guinea en het westen, maar over de hele wereld sinds het eind van de laatste IJstijd 13.000 jaar geleden. Hoe kunnen wij verklaren dat sommige samenlevingen en culturen meer met hun gegevens gedaan hebben dan andere; dat zij die andere soms uitgeroeid of een tijd lang overheerst hebben; en ook (maar daar gaat Diamond niet ver op in) dat zij op den duur teruggevallen zijn naar de tweede rang?

Hadden zij het te danken aan hun grotere intelligentie en vindingrijkheid? Om een voorbeeld te nemen, is zo de overheersende positie van Europa-plus-Amerika in de afgelopen eeuwen te verklaren? Als hij tot die conclusie was gekomen zou Diamonds boek hevig verzet hebben opgeroepen.

Gelukkig voor hem heeft hij het tegenovergestelde kunnen beredeneren. Wij westerlingen zijn geen haar bekwamer dan anderen. Wij hebben geluk gehad met onze geografische ligging en het bijbehorende klimaat, en dan heeft het nog lang geduurd voordat wij er handig gebruik van wisten te maken. Na het verval van het Romeinse rijk kwam duizend jaar lang niemand meer onder de indruk van Europa. Pas tegen het eind van de vijftiende eeuw is ons werelddeel begonnen zich te laten gelden; en nu alweer zijn anderen, in het bijzonder de Oost-aziaten, een eind ingelopen.

Wij westerlingen zijn in geen enkele aangeboren kwaliteit superieur aan onze medemensen, van wie sommigen ook veel eerder dan wij opmerkelijke beschavingen hebben ontwikkeld. Als de Nieuwguineeërs in West-Europa hadden gewoond zouden zij Amerika bevolkt hebben met hetzelfde gemak als de Europeanen: door erheen te varen en de Indianen uit te roeien, deels met wapens en verder met besmettelijke ziektes.

De visie van Diamond zal weinig ontsteltenis meer veroorzaken bij lezers in het Atlantische gebied. Wij zijn een stuk bescheidener dan honderd jaar geleden en laten ons allang niet meer voorstaan op onze overheersende rol van toen. Al zijn er nog Europeanen die zichzelf superieur vinden, zij verwachten zelden dat andere volken dat ook zullen toegeven. Integendeel, zij zijn eraan gewend geraakt hoogstens voor agressiever en hebzuchtiger te worden uitgemaakt, ook door mede-Europeanen. Onze glorietijd is onze schande, als hij er in het beeld van dertienduizend jaar gaat uitzien als een normale verschuiving heen en terug in de machtsverhoudingen valt het nog mee. Diamonds verklaring voor zulke verschuivingen heeft het eerst inspirerende en daarna onbevredigende karakter van alle veelomvattende verklaringen. Zij verklaren nooit genoeg. Als de auteur meeslepend redeneert raakt de lezer een tijdlang onder de invloed. Vervolgens komt de onttovering door wedervragen. Bijvoorbeeld: het is aannemelijk dat Europa profijt trok van zijn klimaat, zijn bodemgesteldheid, zijn plantengroei en zijn dierenleven, maar waarom pas tegen 1500, millennia later dan de Chinezen?

De Chinese invloed had juist volgens een van Diamonds ideeën veel eerder hier kunnen doordringen. Eurazië was bevoordeeld boven Amerika en Afrika, schrijft hij, door zijn horizontale ligging van oost naar west, die een verwantschap van klimaat meebracht waarbij vooruitgang op het gebied van landbouw en veeteelt nagevolgd kan worden door buren en rivalen. De Afrikanen en Amerikanen hadden dat niet: steeds verschillende klimaatzones van noord naar zuid, met ertussen bovendien woestijnen waardoor de communicatie belet werd.

Het lijkt een plausibel idee, maar wij aan de Atlantische kust hebben geen profijt getrokken van die horizontale ligging. Duizenden jaren lang bereikte ons geen woord van hulp en opheldering uit China; en op kortere termijn zijn ook de beschavingen van Mesopotamië, Egypte en Griekenland zonder direct nut voor ons gebleken. Toen Europa omstreeks 1500 een nieuw soort beschaving begon te ontwerpen was het eigen werk.

Schrijfkunst

De grondslag van Diamonds leer is dat beschavingen zich vanouds ontwikkelen wanneer de oorspronkelijke jagersgemeenschappen voedselproducenten waren geworden, dat wil zeggen landbouw en veeteelt waren gaan beoefenen. Dan kwam er tijd en ruimte voor de organisatie van een gelede maatschappij met bestuurders, handelaren, ambachtslieden en priesters. Niet langer de hele dag bekommerd om hun volgende maaltijd konden de mensen op onderzoek en verovering uitgaan, aangenomen dat zij ook de onderlinge communicatie versneld hadden door zich de schrijfkunst eigen te maken, wat geïsoleerde groepen niet altijd lukte.

Dat de Afrikanen bezuiden de Sahara niet vooruitgingen hoewel zij de vroegste mensen waren geweest konden zij wijten, behalve aan hun verticale werelddeel, aan hun verkeerde diersoorten; zij hadden wel wilde dieren maar geen soorten waar zij tamme van konden maken voor hun boerderijen. De Zuid-Amerikanen zaten met soortgelijke problemen, en de Australiërs hadden alleen kangoeroes. De Europeanen daarentegen waren bevoorrecht met een voordelig landbouwklimaat en vele diersoorten om voor trek- en draagwerk te gebruiken; toen zij eindelijk op gang kwamen hadden zij ook al lang de schrijfkunst tot hun beschikking. Zo konden zij iedereen aan.

In samenvatting laten de ideeën van Jared Diamond zich niet van hun meest overtuigende kant zien. Hij is veel geleerder dan het lijkt wanneer in het kort iets van zijn werk aangestipt wordt. Niet alleen is hij thuis in de voedselleer, hij beweegt zich als een kenner op de terreinen van geschiedenis, archeologie en historische linguïstiek. Die laatste twee wetenschappen zijn onmisbaar om de volksverhuizingen van prehistorische tijden op te sporen. Daar vindt hij dan verklaringen voor.

Als hij op zijn best bespraakt aan het uitleggen is - over Australië en Oost-Azië vooral maar ook over Afrikaanse migraties en Amerikaanse beperkingen - brengt hij de verbeelding en weetgierigheid van zijn lezer op volle gang. Dat het steeds moeilijker wordt om uit elkaar te houden wat hij verklaard heeft en wat nog niet, moet gerespecteerd worden. Zo gaat het bij alle wereldexplicateurs. Hoe meer verklaringen, hoe meer uitzicht op volgende vragen.

De duidelijke ideeën doet de lezer op over de voorwaarden voor de ontwikkeling van een beschading boven het bestaansminimum. Ik heb niet eerder zo deskundig uitgelegd gekregen wat voor verschil de bodemgesteldheid kan maken, en hoe moeilijk een primitieve economie hoger op kan komen zonder paarden en koeien.

Onopgehelderd blijft, om een belangrijk punt te noemen, waardoor volken bij wie de basisvoorwaarden vervuld zijn heel verschillend en wisselvallig gaan functioneren. Dat de bloeitijd van Athene en de Gouden Eeuw van Nederland, en het Romeinse imperium en het Britse imperium, uit bodemgesteldheid verklaard kunnen worden zal niemand geloven. De volledige beantwoording van Yali's vraag gaat ons nog vele jaren werk kosten.