Elf groene kuikentjes

In Frankrijk, in de stad Albi, woonde een gravin. Op een kasteel. Ze had een zoontje dat Henri heette en elk jaar als hij jarig was vroeg zijn moeder wat hij op die dag wilde eten. Dan riep hij zo hard als hij kon: “Groene kuikentjes!”Het hele kasteel dreunde ervan. Zijn moeder glimlachte.

Dat had ze al verwacht. Ze riep de kok en zei: “Vanavond eten we groene kuikentjes.” Nu denk je misschien dat die kok daar heel ongelukkig van werd, omdat dat soort kuikentjes niet bestaan. Maar het tegendeel is waar. De kok was juist heel blij want hij hield ook erg veel van groene kuikentjes. Vroeger als kind at hij op zijn verjaardag ook altijd groene kuikentjes.

De kok ging naar de tuin en plukte er een grote groene kool. Hij haalde er de mooiste bladeren af en in elk blad stopte hij een handje gehakt waar hij van te voren wat zout, peper, knoflook, tijm en allerlei andere groene kruiden in had gestopt. Hij vouwde het blad samen en met een schoon touwtje bond hij het tot een soort envelopje.

Vervolgens zette hij een grote pan water op het vuur en legde de kleine pakketjes erin en liet ze daar vijftien minuten in koken. Daarna werden de tien groene kuikentjes op een grote schotel naar de eetkamer gedragen. Henri en zijn moeder zaten al te wachten. Ze aten alles op. Met aardappelpuree, want daar was Henri ook gek op. Maar goed dat de kok van te voren voor zichzelf het elfde groene kuikentje van de schaal had gepakt.

Toen Henri groot was, maar niet zo heel groot, en hij een beroemd schilder was geworden die door iedereen Henri Toulouse-Lautrec werd genoemd, heeft hij het recept voor groene kuikentjes in een boek opgeschreven. Daarom kun jij op je verjaardag nu ook groene kuikentjes eten.