Een postmodern geschiedenisboek; Schoolplaten met een verhaaltje

Frits van Oostrom (red.): Historisch Tableau. Geschiedenis opnieuw verbeeld in schoolplaten en essays. Amsterdam University Press, 176 blz. ƒ 69,50 (geb.), ƒ 39,50 (pbk)

De Leidse hoogleraar in de Middeleeuwse letterkunde prof. dr. Frits van Oostrom ergerde zich aan de verbanning van de klassieke historische schoolplaten uit de Nederlandse klaslokalen. Ze zouden niet meer voldoen aan de nieuwe didactische eisen. In Van Oostroms ogen is dat een misverstand en die wilde hij naar eigen zeggen 'herroepen'. Dat moest gebeuren in de vorm van een soort stalenboek van het genre. Van Oostroms stelling dat schoolplaten ook in het huidige onderwijs een prachtige rol kunnen vervullen, lijkt in het licht van de tegenwoordige audiovisuele overdaad weliswaar nogal wankel, maar elke smoes voor een poging een leuk boek te maken, is verdedigbaar.

Blijkens zijn Inleiding vroeg Van Oostrom 'een kring van prominente Nederlanders uit de wereld van kunst, bestuur en wetenschap' een beschouwing te leveren over een 'historisch tafereel' van hun keuze. Ze konden dat doen aan de hand van een al bestaande schoolplaat, bij voorkeur van de hand van de beroemdste tekenaar in dat genre, J.H. Isings (1884-1977). Het stond hun ook vrij een onderwerp buiten het bekende platenbestand te kiezen; in dat geval werd een illustrator aangezocht om het thema in samenspraak met de auteur, speciaal voor dit boek uit te beelden. Teksten en illustraties werden in fraaie vormgeving gebundeld, en ziedaar Historisch Tableau.

Een lust voor het oog is het tableau zeker, en dat zal in elk geval gedeeltelijk verklaren waarom het in stapels naast de kassa van menige boekhandel ligt. Maar wat valt er in het algemeen verder van te zeggen? Het boek heeft niet de pretentie een samenhangende visie op de geschiedenis te bieden. Samensteller Van Oostrom stelde aan de bijdragen geen herkenbare eisen, aan de thematiek noch aan de invalshoek, de stijl of de lengte. Alles was blijkbaar goed, zolang de medewerkers maar 'hun eigen stem' lieten 'doorklinken', aldus Van Oostrom. Dit is, kortom, het ultieme postmoderne geschiedenisboek: waarde-oordelen zijn achterhaald. Deze ongrijpbaarheid komt voort uit het bij nader inzien merkwaardige criterium voor het selecteren van de medewerkers. De vraag nog daargelaten waarom er geen prominenten uit bijvoorbeeld de sport of het episcopaat zijn uitgenodigd, blijft onverklaard waarom de historische belangstelling van prominente Nederlanders belangwekkend is op nog een andere manier dan als verkoopbevorderende factor. Daarbij komt nog dat de keus van de prominenten niet controversieel uitvalt.

Cabaretier Paul de Leeuw is gefascineerd door de bevrijding in 1945, een gebeurtenis waarover ook de rest van Nederland nog lang niet is uitgepraat. Politicus en kinderboekenschrijver Jan Terlouw vindt de watersnood van 1953 belangrijk, historicus prof. dr. H.W. von der Dunk de val van de muur in 1989 en gelijk hebben ze. De directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, prof. dr. Hans Blom, wordt geboeid door Anne Frank; hij is de enige niet. Kunsthistoricus en Rembrandt-kenner prof. dr. Ernst van de Wetering wil stilstaan bij Rembrandt, die inderdaad als schilder niet valt uit te vlakken. Oud-politicus Marcel van Dam windt zich op over 'deze catastrofe' van Srebrenica. Wie zou hem tegenspreken?

Geloofwaardig

Van Dams bijdrage heet 'De scheiding van mannen en vrouwen bij Srebrenica'. Deze titel wekt de verwachting dat zijn stuk aansluit op de benadering van de door Van Oostrom in zijn Inleiding veelgeprezen Isings. Diens bedoeling was onmiskenbaar de beschouwers van zijn platen een zo geloofwaardig mogelijke indruk te geven van een historische gebeurtenis of situatie. Isings maakte als het ware een getekende momentopname, een aanpak die zich uitstekend leent voor navolging, ook in de begeleidende tekst.

Aan het tafereel waarop zijn titel slaat, wijdt Van Dam echter maar twee zinnen. Voor de rest beschrijft hij hoe het zo ver is kunnen komen, inclusief de beschamende rol van Dutchbat daarbij. Dat doet hij zakelijk en ingehouden, dus daarmee is niets mis. Wel rijst de vraag wat nu eigenlijk de bedoeling van deze opzet is, temeer omdat ook de begeleidende plaat - van ontwerper en fotograaf Ger Louis Doornink - het afschuwelijke moment uit de titel niet in beeld brengt.

Doornink tekende een kaart van de Balkan met daar overheen vuistschuddende en stenen gooiende vrouwen met hoofddoeken. Het talent van de illustrator staat buiten kijf, maar de informatieve waarde ervan is nihil. Ook dat is niet erg, maar dan had Van Oostrom niet Isings naar voren moeten schuiven als het grote voorbeeld van zijn project. Veel van de 'nieuwe' tekenaars in dit boek 'doen maar wat' trouwens; kennelijk vonden zij de esthetische kant van hun opdracht leuker dan de kennisoverdracht waar het bij de schoolplaten toch om ging. Daarmee ondermijnen ze, vermoedelijk onbedoeld, Van Oostroms these over het eigentijdse nut van zulke platen.

Slechts een enkele van de 'nieuwe' illustratoren heeft Isings' voorbeeld gevolgd. Zoals Lidia Postma, die het moment uitbeeldde waarop de roomse fanaticus Balthasar Gerards op 10 juli 1584 twee loden kogels in Willem van Oranje pompte. Of Paul Teng, die een schitterend gedetailleerde plaat maakte van de Bossche Sint Janskathedraal in aanbouw omstreeks 1415. Opvallend daarbij is dat ook de hen begeleidende auteurs, in dit geval de kinderboekenschrijver Tonke Dragt en Willem Wilmink, zich à la Isings hebben gehouden aan het beschrijven van een historisch moment (de moord op de Vader des Vaderlands) dan wel een historische situatie (de drukte rond een Middeleeuwse kerk in aanbouw).

Prentenmakers

Waar een prent van Isings centraal staat, volgen de auteurs zijn aanpak zonder morren. Het lijkt wel of de oude meester hen uitdaagt en prikkelt om de kwaliteit van zijn beelden met woorden te willen evenaren. Zo analyseert Van de Wetering buitengewoon informatief Isings' impressie van Rembrandt in zijn atelier, 1665, erop wijzend dat de schilder in het bewuste jaar aanzienlijk kleiner was behuisd dan de tekenaar suggereert. Emeritus hoogleraar in de Nederlandse letterkunde, prof. Kees Fens wordt aangezet tot jeugdherinneringen aan zijn rooms-katholieke geloof naar aanleiding van Isings' kijkje in de (over)schrijfkamer van een Middeleeuws klooster.

Het overgrote deel van de prentenmakers die lak hebbeen aan Isings' benadering, is daarentegen gekoppeld aan een auteur die zich eveneens ver van de grand old man heeft verwijderd. Van Dam houdt het op de voorgeschiedenis van een historische tragedie. Sommigen wijden zich aan een biografisch essay, zoals Blom over Anne Frank en Groene-journaliste Xandra Schutte over feministe Aletta Jacobs. Anderen beschrijven een historisch proces (oud-politicus en bestuurder Henk Vonhoff over de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië) of gewoon een roerige periode (historicus prof. dr. Maarten van Rossem over het jaar 1966, met provo, het huwelijk van Beatrix en Claus en de bouwvakkersrellen). Ruimtevaarder prof. dr. Wubbo Ockels breekt, naar aanleiding van de eerste bemande maanlanding in 1969, een lans voor vaker naar de maan gaan.

Onweerlegbaar is Ockels' gespecialiseerde deskundigheidd op het terrein van de ruimtevaart een duidelijke legitimatie voor zijn aanwezigheid in dit boek. Dat hij een echte Bekende Nederlander is, is mooi meegenomen, al maakt het niet het gebrek goed dat Ockels niet kan schrijven. De ene kromme zin ('er was toen nog helemaal geen idee over settlement op de maan zoals dat er nu is'; 'wat miste aan het hele project, was een lange-termijnvisie') volgt op de andere open deur ('een mens moet ook veilig terug kunnen komen'; 'we kunnen het maan-aardsysteem, dat enorm oud is, bestuderen vanaf de maan'). Een ouderwetse redacteur-samensteller van een bundel als deze zou Ockels met het rode potlood te hulp zijn geschoten; in het postmoderne tijdperk is dat not done.

Gelukkig zijn er in het boek ook een paar voorbeelden van de meerwaarde die de medewerking van experts oplevert. Van de Weterings bijdrage is al genoemd. Om dezelfde reden verdient de hoogleraar prehistorie prof. dr. L.P. Louwe Kooimans lof voor zijn beschouwing over Isings' prent Drenthe, omstreeks 3000 voor Christus. Dat kan eveneens worden gezegd van de kanttekeningen die de hoogleraar nieuwe geschiedenis prof. dr. A.Th. van Deursen maakt bij de plaat van Isings' voorganger G.J. van Hove, die de Synode van Dordrecht (1618-1619) als onderwerp nam. Hun toelichting en commentaar vormen een waardevolle aanvulling op het werk van de oude platenmakers. Tegen de presentaties van deze deskundigen steekt het werk van de essayisten die feitelijk alleen hun Bekende Nederlanderschap inbrengen - maar die dan ook veel Bekender zijn dan de toch vooral op hun vakgebied prominente experts - scherp af. Hoe Marcel van Dam ook zijn bekendheid heeft verworven, niet als militair historicus of Balkan-orakel. Maar hij had het relatief gemakkelijk: het was voldoende de kranten goed bij te houden.

De Bekende Leek die verder terug in de tijd wilde had er kennelijk geen zin in er navenant meer moeite voor te doen om zich te documenteren. Bij een fraai uitgewerkte tekening van Albert-Jan Cool, met als thema de bevrijders temidden van een jubelende menigte op de Dam in mei 1945, is de tekst van Paul de Leeuw zacht gezegd een anti-climax. Achtentwintig, soms maar uit vijf woorden bestaande, zinnen, die kennelijk diepzinnig zijn bedoeld, maar die verzanden in platitudes en flauwiteiten: 'Is [bevrijdingsdag te vergelijken met] de voldoening toen Nederland won tijdens het Eurovisie Songfestival (lijkt trouwens ook net zo lang geleden)?'

Plunderen

Romanschrijver en (oud-)televisiepresentator Adriaan van Dis wilde het over de slavernij hebben, een onderwerp dat hem buitengewoon interesseert. Dat blijkt uit de passages die hij in zijn essay wijdt aan zijn verblijf op het voormalige 'slaveneiland' Gorée voor de kust van Senegal. In deze vroegere Hollandse handelspost moesten duizenden gevangen Afrikanen hun gedwongen verscheping naar Amerika afwachten.

Voor de historische onderbouwing van zijn betoog greep Van Dis terug op vier studies, die hij aan het slot noemt in een literatuurlijst. Daarmee lost hij de belofte in die hij zes jaar geleden deed toen hij verwikkeld was geraakt in een geruchtmakende plagiaat-affaire. Maar kennelijk heeft niemand hem destijds verteld dat een literatuurlijst nog geen vrijbrief is voor het plunderen van complete zinnen en alinea's uit de genoemde werken.

Zo gebruikt Van Dis het vorig jaar verschenen boek The Slave Trade van Hugh Thomas als volgt. 'The consequence (van de slavernij) for the Americas was remarkable', schrijft Thomas in zijn laatste hoofdstuk The Slave Trade: A Reflection, 'in the first three and a quarter centuries of European activity in the Americas, between 1492 and 1820, five times as many Africans went to the New World as did white Europeans'. En Van Dis: 'De consequenties voor de beide Amerika's waren groot. De eerste drie en een kwart eeuw (1492-1820) vertrokken er vijf keer meer Afrikanen dan Europeanen naar de Nieuwe Wereld.' Thomas: 'The effect of this migration on Africa is extraordinarily difficult to estimate.' En Van Dis: 'Het effect van deze emigratie is voor Afrika veel moeilijker in te schatten.' Thomas: 'There were some obvious political effects.' En Van Dis: 'De politieke gevolgen zijn beter meetbaar.' Aanhalingstekens of nadere verwijzingen ontbreken.

Nog één voorbeeld dat aangeeft hoe Van Dis zich Thomas' denkwerk toeëigent. Hugh Thomas: 'The most interesting aspect of the slave trade is that during the 500 years of constant contact between the Africans and the Europeans the former did not develop further in imitation of the latter. The reluctance of Africans to Europeanize themselves is often presented as a weakness. But it is more likely to be explained by some innate strength of the African personality.' En Van Dis: 'Het meest opmerkelijke of raadselachtige aspect van de slavenhandel is misschien wel dat eeuwen intensief contact tussen Afrikanen en Europeanen zo weinig indruk op de eersten hebben gemaakt. De Afrikanen lieten zich nooit voetstoots europeaniseren, en dat is niet een teken van zwakte, zoals men vroeger wel dacht, maar juist een teken van kracht, van een geloof in de eigen identiteit.'

En dan Robert Hughes' The Culture of Complaint, dat Van Dis ook heeft 'geraadpleegd'. Zo concludeert Van Dis schijnbaar zelf: 'Tot voor kort was de geschiedschrijving over de slavernij voornamelijk een blanke bezigheid: een verhaal van en over blanken. Het beeld van de zwarten was stereotiep en vol vooroordelen.' In de - door Van Dis niet genoemde - Nederlandse vertaling van Hughes' werk, De Klaagcultuur, staat al: '[de] Amerikaanse geschiedenis [is] lange tijd opgetekend door en voor blanken, die zich de beelden van het Afro-Amerikaanse leven hebben toegeëigend en ze als vertekende stereotypen hebben teruggegeven.'

Verderop constateert Van Dis: 'Tegenwoordig bestaat onder de zogenaamde afro-centristen echter de neiging een soort heilzame geschiedenis te schrijven waarbij de uitvinding, praktijk en schuld van de slavernij geheel in de schoenen van de blanken wordt geschoven. Dat dit een weinig historische benadering is, behoeft geen betoog, maar zij vindt veel bijval onder de naar hun identiteit zoekende zwarte studenten in de Verenigde Staten en Afrika.' In De Klaagcultuur heeft Robert Hughes al vastgesteld: 'de Afrocentristen [...] willen een soort remediërende geschiedenis uitvinden waarin de gehele schuld voor de uitvinding en de toepassing van de zwarte slavernij bij de Europeanen wordt gelegd. Met historie heeft dit niets te maken, maar het begint zich wel via de nieuwe curricula in het massabewustzijn in te graven.' Zo gaat het maar door.

Tranen

Hoe verantwoorden anderen in deze bundel de herkomst van hun informatie? Schrijver/beeldend kunstenaar Jan Wolkers noemt helemaal geen bronnen in zijn verslag van de lynchpartij waarvan de gebroeders De Witt in 1672 het slachtoffer werden. Hoe weet hij bijvoorbeeld dat 'Michiel de Ruyter in tranen uitbarstte toen hij van de beestachtige slachtpartij hoorde?'.

Ook prof. dr. Alexander Rinnooy Kan laat niets los over de oorsprong van zijn kennis betreffende de uit de hand gelopen speculatie met tulpenbollen in de zeventiende eeuw. Maar omdat hij jarenlang directeur van het Econometrisch Instituut is geweest, valt gemakkelijker aan te nemen dat hij het gewoon allemaal wéét. Datzelfde geldt voor de meeste, hier niet verder genoemde bijdragen: de auteurs zijn grotendeels competente historici, die misschien geen specialist zijn op het onderwerp waarover ze schrijven, maar er genoeg van afweten, en die bovendien nog wel eens keurig een literatuurlijstje vermelden. Jan Terlouw doet dat niet, maar als commissaris van de koningin in Gelderland heeft hij intussen zoveel overstromingen meegemaakt dat we hem de Watersnood van 1953 wel kunnen toevertrouwen. De bekroonde romanschrijver Abdelkader Benali is voor zijn bijdrage over de aankomst van de eerste gastarbeiders in Nederland in zoverre gekwalificeerd dat hij de zoon is van een Marokkaanse gastarbeider. Verder dan wat vage anekdotes van zijn vader komt hij overigens niet.

Dat de kwaliteit van het gebodene zo sterk wisselt, zal de kopers van dit boek vermoedelijk een zorg zijn. Als het succes van Historisch Tableau iets bewijst, is het dat de Nederlanders niet afkerig zijn iets te leren over de geschiedenis, mits die wordt opgediend in kleine, hapklare brokken, in oogstrelende verpakking en aangeprezen door bekende namen. Historische momenten zijn er nog in duizendvoud, Bekende Nederlanders ook, dus Frits van Oostrom kan nog jaren voort. Als hij de scholen maar met rust laat.