Een man zonder identiteit; Journalistieke portretten van Jacques Chirac

Jean-Marie Colombani: Le Résident de la République. Stock, 307 blz. ƒ 58,50

Hubert Coudurier: Le monde selon Chirac. Les coulisses de la diplomatie française. Callmann-Lévy, 417 blz. ƒ 60,20

De Franse president Chirac houdt van kordate besluiten. Was zijn voorganger Mitterrand een meester van de ambivalentie, die zijn doel altijd via omwegen en omslachtige uiteenzettingen benaderde, Chirac is verliefd op duidelijkheid in woord en daad. In zijn karakterstudie Le Résident de la République portretteert Jean-Marie Colombani, directeur van Le Monde, deze president als een man die altijd op zoek is naar mogelijkheden om tot de aanval over te gaan. De auteur is van mening dat deze dadendrang een tekort aan politiek richtinggevoel moet compenseren. Actie is voor Chirac een substituut voor het ontbrekende concept. En hij is dan ook, aldus Colombani in diens impressionistische maar overtuigende schets, eerder een zaakgelastigde ('résident') dan een leider van de republiek.

Een daad

In het voorjaar van 1997 leidde de presidentiële gewoonte om met het stellen van een daad een uitweg uit de problemen te zoeken, tot de onverwachte en riskante aankondiging parlementsverkiezingen uit te schrijven. Nodig was dit besluit niet, want de rechtse geestverwanten van Chirac hadden een comfortabele meerderheid in de Assembleé. Niettemin waren er genoeg omstandigheden om de president in onzekerheid te brengen. Twee jaar eerder was hij verkozen op een programma dat beloofde de 'fracture sociale' te helen. Het geld voor die sociale politiek was er echter niet.

Sterker nog, er moest fors bezuinigd worden op de staatsbegroting, wilde Frankrijk kunnen voldoen aan de voorwaarden die in het verdrag van Maastricht, over de vorming van een monetaire unie (EMU), waren vastgelegd. Economisch verkeerde de natie in een recessie, die vooral werd gemarkeerd door een hoge werkloosheid. Eind 1995 waren anderhalf miljoen Fransen de straat opgegaan om te protesteren tegen het stringente overheidsbeleid. De groeiende ontevredenheid was vervolgens tot in alle sectoren van het politieke spectrum doorgedrongen. Philippe Séguin, leider van Chiracs eigen partij RPR, rebelleerde tegen zijn chef door de EMU-criteria te typeren als een vorm van masochisme en het door Chirac gesteunde verdrag van Maastricht als een 'sociaal München'.

Geconfronteerd met de noodzaak nieuwe bezuinigingen door te voeren, herinnerde Chirac zich de waarschuwing van zijn leermeester de Gaulle dat het Franse volk snel is geneigd door middel van een politiek-sociale explosie de verlossing te zoeken. Angst en ongeduld waren volgens Colombani de belangrijkste drijfveren van Chirac om te kiezen voor een vlucht naar voren en de dreigende onrust af te wenden door een nieuw mandaat aan de kiezers te vragen. Het resultaat, een klinkende overwinning van links die hem noodzaakte de socialistische leider Jospin tot premier te benoemen, betekende een aanslag op het politieke gezag van een nog maar twee jaar zittende president.

Hubert Coudurier, redacteur van France 3, laat echter in Le monde selon Chirac zien dat de kordaatheid van deze president zeker niet tot alleen maar flaters heeft geleid. Zijn boek is een goed geïnformeerd, zij het soms te gedetailleerd verslag van de buitenlandse politiek waarop Chirac de afgelopen drie jaar heeft geprobeerd zijn stempel te drukken. Nauwelijks aangetreden nam de president al het initiatief om het slappe westerse optreden in Bosnië te vervangen door een slagvaardiger politiek. De mening van Coudurier dat Chirac in Washington indruk maakte met zijn pleidooi de Bosnische Serviërs hard aan te pakken, wordt bevestigd door de Amerikaanse onderhandelaar Richard Holbrooke in diens recent verschenen herinneringen over de oorlog in Bosnië To End a War.

Voordat hij in juni 1995 naar de Amerikaanse hoofdstad reisde, had Chirac al de bereidheid getoond te breken met de westerse ontvankelijkheid voor Servische chantage. Toen kort na zijn aantreden Franse VN-manschappen ('blauwhelmen') in gijzeling werden genomen door Bosnische Serviërs, gaf hij de riskante opdracht tot een militaire tegenactie. Twee Franse soldaten werden daarbij gedood en zeventien gewond. Geconfronteerd met deze offers, luidde de reactie van Chirac: daarvoor hebben we in tijden van crisis militaire manschappen.

Colombani en Coudurier beklemtonen beiden hoezeer deze president zich een man van de strijdkrachten voelt. Het liefst vertelt Chirac anekdotes over zijn militaire activiteiten in de Algerijnse burgeroorlog, waar hij als jong onder-luitenant actief in de strijd was. De in Frankrijk traditioneel verankerde overtuiging dat l'armée bij uitstek het symbool van de natie is, was waarschijnlijk een belangrijke inspiratiebron van zijn onbekookte besluit om het bezit van de force de frappe in herinnering te brengen. In juni 1995, nota bene kort voordat vijftig jaar eerder de atoombommnen op Hiroshima en Nagasaki waren gevallen, kondigde Chirac een hervatting aan van de kernproeven die enkele jaren eerder door Mitterrand in het kader van het nieuwe post-Koude Oorlogtijdperk waren stopgezet.

Ook in eigen land werd met kritiek gereageerd en gegist naar de motieven om wederom en juist op dat moment met proeven te beginnen. Het vermoedelijke antwoord kwam ruim een half jaar later in de vorm van een initiatief dat weer wèl een zinvol karakter had. Ondanks hardnekkig verzet van het militaire opperbevel, dat hij kennelijk met het besluit tot hervatting van de nucleaire proefnemingen had proberen te paaien, kondigde Chirac de afschaffing aan van de dienstplicht en een reorganisatie van het leger tot snel inzetbare strijdmacht. Behalve door financiële overwegingen werd dit besluit ingegeven door de ervaringen tijdens de Golfoorlog. De Franse strijdkrachten hadden zich toen in de woorden van Coudurier doen kennen als een papieren tijger, vooral als gevolg van hun verouderde organisatie.

Overmaat aan bravoure

Kort vóór deze aankondiging liet Chirac ook nog weten dat Frankrijk, na een dertigjarige afwezigheid, zou terugkeren naar de militaire samenwerking in NAVO-verband. Typerend voor zijn overmaat aan bravoure was dat dit op zichzelf verstandige besluit gepaard ging aan een verkeerde beoordeling van de Franse positie in het bondgenootschap. Chirac beschouwde deze daad als een concessie aan de Verenigde Staten die om een Amerikaanse tegenprestatie vroeg, maar de regering in Washington zag er eerder een complicatie in van de toch al ingewikkelde overleg- en bevelsstructuur van het bondgenootschap. De Franse eis tot zeggenschap over het zuidelijke NAVO-commando werd met een verwijzing naar de Amerikaanse belangen in het Midden-Oosten afgewezen. Ronduit vernederend was vervolgens de weigering van Clinton serieus in te gaan op het verzoek van Chirac om behalve Tsjechië, Polen en Hongarije ook Roemenië en Slovenië in aanmerking te laten komen voor het NAVO-lidmaatschap.

Een belangrijke drijfveer om weer volledig mee te doen als NAVO-lid was de ambitie om binnen het bondgenootschap onder Franse leiding de Europese 'defensie-identiteit' te vormen die erbuiten op Duitse onwil was afgeketst. Maar het is de vraag in hoeverre die doelstelling niet te hoog is gegrepen. De in juni 1996 met de Amerikanen gesloten overeenkomst die de Westeuropese partners de mogelijkheid geeft eventueel zonder Washington handelend op te treden, blijft onderhevig aan een veto van de Verenigde Staten. De regering in Bonn laat bij herhaling blijken tegen de Franse wensen in de afstand tot Washington zo klein mogelijk te willen houden. Dat Chirac de tactloosheid beging de Duitse regering pas op het laatste ogenblik in te lichten over zowel de kernproeven als de afschaffing van de dienstplicht, heeft in Bonn de animo tot een serieuze veiligheidssamenwerking met de Fransen er niet groter op gemaakt.

Franse ambitie

Coudurier en Colombani wijzen op het probleem dat de Franse ambitie om op mondiaal niveau een politieke rol van betekenis te spelen sinds het einde van de Koude Oorlog nog meer dan voorheen op een illusie berust. Het kernwapen is van zijn politieke invloed ontdaan en economisch behoort Frankrijk tot de categorie der gehandicapten. De Amerikaanse hegemonie waar deze natie zich altijd tegen heeft verzet, is in een aantal opzichten een feit geworden. De samenwerking met de belangrijkste partner, Duitsland, is door het gegroeide Duitse gewicht moeilijker geworden. Coudurier besteedt veel aandacht aan de Franse bemoeienis met de gang van zaken in Afrika, dat van oudsher door de Fransen wordt beschouwd als een belangrijke invloedssfeer. Vooral na de in Parijs op de voet gevolgde volkerenmoord in Rwanda is de aantrekkingskracht van dit continent echter sterk afgenomen.

Deze omstandigheden zouden het voor elke Franse president moeilijk hebben gemaakt de buitenlandse geldingsdrang te effectueren. Maar Chirac heeft, met de kwestie-Bosnië als belangrijkste uitzondering, met zijn impulsieve daden het toch al noodlijdende prestige van zijn natie nog meer schade toegebracht. Een man zonder identiteit, noemt Colombani deze president, iemand die steeds op zoek is naar momenten om zich te kunnen manifesteren. De affaire Trichet/Duisenberg was het laatste voorbeeld van een ondoordachte actie die uitliep op gezichtsverlies, in dit geval behalve voor Frankrijk ook voor de Europese Unie. In deze twee boeken komt Chirac naar voren als een man die geenszins een afkeer heeft van de Europese integratie of de samenwerking met Duitsland. Niettemin is te verwachten dat Europa, waar het verlies aan invloed het meeste pijn doet, het belangrijkste jachtterrein zal blijven van een onruststoker die de gevangene is van zijn vulkanische temperament.