Een hertog in republikeinse stijl; Cosimo de' Medici (1519 - 1574)

Henk van Veen: Cosimo de' Medici; vorst en republikein. Een studie naar het heersersimago van de eerste groothertog van Toscane (1537-1574). Meulenhoff/Kritak, 320 blz. ƒ 49,90

De naam van de familie De' Medici is onlosmakelijk verbonden met de Renaissance in Florence. Als vooraanstaande familie groeiden de Medici's in de vijftiende eeuw uit tot feitelijke machthebbers in die stadstaat. Cosimo de oude (1389-1464) legde de grondslag voor een dynastie waarvan de beroemdste vertegenwoordiger wel zijn kleinzoon Lorenzo was. Bijgenaamd il Magnifico, 'de prachtlievende', was Lorenzo de' Medici de spil van de rijke literaire en artistieke cultuur van het Florence van het einde van de vijftiende eeuw. Aan zijn hof verkeerden dichters en filosofen als Pico della Mirandola en Marsilio Ficino, en ontmoetten kunstenaars als Botticelli en de jonge Michelangelo elkaar.

Ook in de zestiende eeuw duiken telgen uit het Medici-geslacht op die in Florence de dienst uitmaakten, zodat het wel lijkt alsof de Medici-heerschappij zich al die tijd ononderbroken heeft voortgezet. Maar die indruk is onjuist, want kort na Lorenzo's dood in 1492 kwam er voor lange tijd een einde aan de Medici-heerschappij. De familie werd zelfs tijdelijk uit de stad verbannen en had de grootste moeite haar macht en prestige te herstellen. Weliswaar leverden de Medici's in eerste helft van de zestiende eeuw de pausen Leo X en Clemens VII, en roerden zij zich met tussenpozen ook in het Florentijnse stadsbestuur, maar pas in 1537 kwam er daar weer voor lange tijd een Medici aan de macht: Cosimo di Giovanni delle Bande Nere. Hij herstelde niet alleen de heerschappij van de familie over Florence, maar ook iets van de belangrijke rol van de Medici's voor kunst en wetenschap. Cosimo stichtte de Accademia del disegno - de eerste kunstacademie van Europa - en trad op als beschermheer van Florentijnse letterkundigen en kunstenaars. Niet voor niets droeg Giorgio Vasari zijn beroemd geworden verzameling kunstenaarsbiografieën aan hem op. Over de wijze waarop Cosimo zijn machtspositie vorm liet geven in de kunst en literatuur van zijn tijd, heeft de Groningse hoogleraar kunstgeschiedenis Henk van Veen een belangwekkende studie geschreven.

Compromiskandidaat

Cosimo was bij uitstek de kandidaat toen de Medici's in 1537 de kans kregen de macht in Florence weer over te nemen. Hij was in 1519 geboren uit een tak van de Medici-stamboom die zich nog weinig had ingelaten met het machtsspel en zelf was Cosimo op het platteland, ver buiten het politieke gewoel in Florence, opgegroeid. Zijn relaties met eerdere Medici-kopstukken, over wie in de stad gemengde gevoelens bestonden, waren daardoor minimaal. Bovendien leek hij, jong en onervaren als hij was, een ideale compromiskandidaat. De Florentijnse senaat maakte Cosimo zuinigjes capo e primario - 'chef en hoofd' - van de Florentijnse regering. Maar Cosimo was daadkrachtiger dan voorzien. Kort na zijn aantreden vroeg en kreeg hij van keizer Karel V de nieuwe, erfelijke titel van hertog van Florence. Cosimo's aanzien steeg nog verder toen hij twee jaar daarna trouwde met Eleonora van Toledo, dochter van de machtige onderkoning van Napels. Maar zijn ambities reikten verder. In 1557 wist hij het belang van de staat aanzienlijk te vergroten door het Florentijnse territorium uit te breiden met de naburige stadstaat Siena. Voortdurend bleef hij bovendien streven naar een nog hogere titel.

Naast zijn staatkundige activiteiten maakte Cosimo veel werk van de verfraaiing van de stad en haar gebouwen. Zo liet hij tussen het Palazzo Vecchio en de Arno de representatieve gebouwen van de Uffizi optrekken, gaf hij opdrachten voor openbare beeldhouwwerken en monumenten - zoals de beroemde Perseus met het hoofd van Medusa van Benvenuto Cellini en Bartolommeo Ammanati's Neptunusfontijn - en liet hij Vasari de Sala Grande van het Palazzo Vecchio beschilderen.

Koninklijke ambities

Deze artistieke opdrachten, behorend tot het belangrijkste wat de Florentijnse zestiende eeuw aan architectuur, schilder- en beeldhouwkunst heeft voortgebracht, zijn al vaak bestudeerd in het licht van Cosimo's heerserspolitiek. Kunsthistorici hebben de projecten vrijwel onveranderlijk gezien als manifestaties van vorstelijke autoriteit en grandeur, en ze in de eerste plaats beschouwd als uitingen van Cosimo's koninklijke ambities. Nieuw in de benadering van Cosimo's mecenaat die Van Veen in zijn boek kiest, is dat hij de weg die de hertog koos om zijn doelen te verwezenlijken, op geheel andere wijze reconstrueert en interpreteert.

Dat wordt duidelijk uit het belang dat Van Veen toekent aan zestiende-eeuwse lofdichten op de persoon van de hertog. Volgens Florentijnse panegyrici was Cosimo op een ongedwongen manier geïnteresseerd in zijn onderdanen. Graag mocht hij door de stad wandelen en een praatje aanknopen; velen kende hij bij naam en hij was op de hoogte van de samenstelling van de belangrijkste families. Op een gekostumeerd bal verscheen hij eens in de traditionele Florentijnse dracht, met pantoffels en een fluwelen baret. Hij zou bij die gelegenheid zelfs hebben verklaard: 'Ik zou er heel wat voor over hebben gehad als het mij zou zijn toegestaan in dit tenue door Florence te gaan, want wat is het toch mooi en nobel en groots'. En toen hij een Florentijnse broederschap bezocht, deed hij een donatie van het relatief lage bedrag van 30 scudi - niet uit krenterigheid maar, zoals een chroniqueur benadrukt, 'om zich niet boven de anderen te stellen'.

Verbazingwekkend genoeg komt Cosimo uit dergelijke beschrijvingen naar voren als een eenvoudig en voorkomend man die op gelijke voet verkeerde met de patriciërsfamilies die vanouds een zo belangrijk bestanddeel van de Florentijnse samenleving uitmaakten. Hij lijkt zich welbewust niet te hebben willen presenteren als de absolutistische en een territoriale staat nastrevende vorst die hij in werkelijkheid was. Dat brengt Van Veen tot de veronderstelling dat Cosimo, om zo weinig mogelijk tegenstand te ondervinden bij de verwezenlijking van zijn ambities voortdurend zijn verbondenheid benadrukte met de stedelijke traditie en de republikeinse staatsvorm waarop humanisten in het Florence van de vijftiende eeuw zo trots waren geweest. En dat gold net zo goed voor de kunstprojecten die Cosimo initieerde.

Niet voor niets koos hij het Palazzo Vecchio, het voormalige republikeinse regeringsgebouw, als zijn hertogelijke residentie en liet hij het plafond van de grote zaal uitvoerig beschilderen. Deze decoratie neemt in Van Veens boek een belangrijke plaats in. De thematiek heeft in de eerste plaats betrekking op de stad Florence. De afzonderlijke compartimenten waaruit het plafond bestaat, tonen onder meer voorstellingen van de stichting van de stad, belangrijke overwinningen die haar legers hadden behaald en allegorieën van de wijken van de stad. Tot zover levert de interpretatie weinig problemen op. Toch is het decoratieprogramma in het verleden steeds beschouwd als zelfverheerlijking van Cosimo de' Medici als stichter van en heerser over de Toscaanse staat. Die visie komt vooral voort uit de voorstelling van het centrale paneel in het plafond, waarin Cosimo zelf een hoofdrol speelt.

Maar na een uitvoerige analyse komt Van Veen tot de slotsom dat het centrale paneel evengoed de lof zingt van de stad en niet van de hertog. Niet toevallig is de figuur van Cosimo omringd door wapenschilden van de 22 traditionele en in Florence vanouds machtige gilden. Belangrijker nog is dat een personificatie van de stad Cosimo kroont met een krans van eikebladeren, niet als teken van onderwerping aan de heerser maar, ook blijkens een inscriptie, als dank voor het feit dat hij de civitas, de Florentijnse republiek, vorm had gegeven en territoriale expansie en vrede had gebracht.

Deze interpretatie is niet steeds even gemakkelijk te volgen, al was het maar omdat de onmiskenbaar prominente aanwezigheid in de voorstelling van Cosimo pas tegen het einde van het betoog ter sprake komt. Bovendien kent de auteur groot belang toe aan de tachtig zuilen van de geschilderde balustrade die de voorstelling omringt. Daarin wil hij onder meer een verwijzing zien naar de tachtig volkscompagnieën waarin de Florentijnse burgers zich ten tijde van de republiek verenigden. Het is een verleidelijke mogelijkheid maar dan toch alleen voor goede verstaanders, want de kleine zuiltjes gaan grotendeels schuil achter de gilde-schilden.

Toch overtuigt Van Veens visie uiteindelijk, vooral omdat ze naadloos past in de consistente reeks van interpretaties die hij geeft van vele andere decoratie- en bouwprojecten waarin Cosimo, samen met zijn adviseurs en kunstenaars, telkens weer de stedelijke traditie en de republikeinse waarden blijkt te hebben laten prevaleren boven de verheerlijking van zijn persoon.

Nieuwe kijk

Henk van Veens boek geeft een originele en heel nieuwe kijk op Cosimo's kunstmecenaat en op de manier waarop, meer in het algemeen, een heerser beeldende kunst gebruikte als middel om zijn imago te regisseren en zijn ambities te verwezenlijken. Afgezien van een boek als Peter Burke's The Fabrication of Louis XIV uit 1991 (vertaald als Het beeld van een koning; de propaganda van Lodewijk XIV), zijn omvangrijke en systematische studies naar deze problematiek niet of nauwelijks voorhanden. De toegankelijkheid van Van Veens boek, dat noodzakelijkerwijs een vrij specialistisch karakter heeft, maar in zijn huidige uitvoering klaarblijkelijk ook mikt op een algemeen geïnteresseerd Nederlandstalig publiek, zou hier en daar gebaat zijn geweest bij meer uitleg. Meer illustraties en plattegronden zouden ook hebben kunnen helpen de soms nogal abstracte beschrijvingen van decoratieprogramma's, bouwprojecten en gelegenheidsarchitectuur te verduidelijken.

Overigens bereikte Cosimo de' Medici zijn hoogste doel pas vlak voor zijn dood. In 1564 deed hij, op 45-jarige leeftijd, afstand van de troon ten gunste van zijn zoon Francesco. Dat betekende niet dat hij zijn ambities opgaf. Met extra energie besteedde hij zijn welverdiende vrije tijd aan het verkrijgen van de felbegeerde hogere titel. Die kreeg hij in 1569, toen paus Pius IV hem groothertog van Toscane maakte. Cosimo stierf al vijf jaar later, maar het groothertogdom is tot ver in de achttiende eeuw in handen van gebleven van de door hem gevestigde dynastie.