De trappende hakjes van Janis

Monterey Pop (D.A. Pennebaker, VS, 1969), Ned.3, 22.55-0.11u.

Voeten zonder schoenen en schoenen zonder voeten, dat zijn de subtiele details waarmee D.A. Pennebaker de moraal van eind jaren zestig in beeld brengt. In zijn filmische verslag van het popfestival in Monterey, Monterey Pop, dat in 1967 door John Phillips - voorman van The Mamas & The Papas - werd georganiseerd, zijn de hippies aan de macht. De film biedt registraties van optredens van sterren als Janis Joplin, The Animals, Otis Redding, Jimi Hendrix, The Who en Jefferson Airplane, maar even belangrijk als die beelden zijn de observaties van het publiek.

Twee platen luidden het festival in, het door Phillips geschreven - en door Scott McKenzie gezongen - San Francisco (Be sure to wear some flowers in your hair) en het toen net verschenen Sgt. Pepper's van The Beatles. Beiden predikten vrede en saamhorigheid. Zo kon dit eerste popfestival ooit, dat 50.000 bezoekers trok, uitgroeien tot een voorbeeldig evenement. Al meldden zich in de maanden erna een recordaantal zwangere vrouwen bij de plaatselijke vestiging van het Leger des Heils, de kamperende en zich in wierookwalmen hullende fans wisten zich te gedragen. Men bleef tijdens optredens braaf op de stoelen zitten en sliep op een football-veld. De 'bummer-tent' zat vol met jongeren op verkeerde (LSD)-trips, dat wel.

Dit eerste popfestival heeft meteen een gewoonte gevestigd: de rare hoed. Wie vandaag de dag naar Pinkpop of Lowlands gaat ziet de merkwaardigste hoofddeksels; hoe groter en vormelozer, hoe beter. Daar bleken publiek en artiesten in 1967 ook al gevoelig voor. John Phillips draagt een berenmuts zoals Jamiroquai tegenwoordig pleegt op te zetten, en verder zien we draperieën en Napoleontische steken. Anderen showen juist het kaalgeschoren, beschilderde hoofd, er is zelfs een aapje met 'love' op het hoofdje geschreven.

Anders dan bij huidige festivals groeit het publiek onder invloed van de muziek niet uit tot één dansende menigte. De meerderheid zit op zijn stoel, terwijl een enkeling zich kronkelend uitleeft in het gangpad. Anderzijds zou je vandaag de dag niet verwachten dat een verstild, akoestisch optreden als dat van Simon & Garfunkel de hartstochtelijke bijval van 50.000 aanwezigen zou krijgen.

D.A. Pennebakers beelden waren toentertijd modern. Hij gebruikte vloeistofdia-achtige effecten, tegenlicht en overvloeiers. Maar al is hij hier later om bekritiseerd, het grootste deel van de opnamen is tamelijk conventioneel en eenvoudig, maar doeltreffend. Er werd nog niet ingezoomd op drumsolo's en ander ambachtelijk vertoon, de camera houdt een frontaal overzicht op het podium - al krijgen de trappende hakjes van Janis Joplin tijdens haar nummer Ball and chain, de verdiende aandacht.

Dat Joplin in de film te zien is, was het resultaat van handig gemanipuleer en toen dat niet genoeg was, grof geschut (een kop gloeiende koffie over haar manager, gegooid door John Phillips). Phillips had de muzikanten voorgesteld kosteloos aan de film (een 'tv-film') mee te werken, al had hij zelf de rechten verkocht voor 250.000 dollar. En aantal managers, waaronder die van Janis Joplin en haar band Big Brother & The Holding Company, weigerden. Toen werd Joplins optreden op zaterdagmiddag zo'n succes dat Phillips haar per se in de film wilde hebben. Hij bood haar aan nog een keer te spelen, op de ereplaats zondagavond, mits ze zich liet filmen. Zo gebeurde, ook al kreeg de band zelfs geen gage (reis, hotel, eten en drinken waren betaald en dat gold toen al als redelijk).

Het Monterey-festival kreeg achteraf een morbide klank omdat een aantal van de daar optredende artiesten niet veel later overleed: onder andere Otis Redding, die met het prachtige optreden op Monterey eindelijk zijn naam vestigde bij het blanke hippie-publiek, Keith Moon, Mama Cass en Joplin. Die laatste twee zijn hier in beeld verenigd. Als Janis haar blues uitschreeuwt, staat Mama Cass met openvallende mond op de eerste rij. En ze zegt 'Wow!'.