De toekomstvoorspeller

BRIGHTON BEACH. Gek worden is geen pretje.

Vooral niet als je het weet.

Ideaal is natuurlijk om ze niet meer alle tien op een rijtje te hebben maar er vast van overtuigd te zijn dat je nog bij je volle verstand bent.

De nieuwe huurder van tweehoog verzamelt dode insecten in lege en goed schoongemaakte tomatensoepblikjes. Op zomeravonden gaat hij dan met blikken vol dode insecten buiten op de trap zitten en laat ze aan geïnteresseerden zien.

Vroeger was hij gitarist. Hij heeft nog opgetreden in Paradiso, vertelde hij, terwijl hij mij de lijken toonde die hij de afgelopen weken in zijn badkamer had gevonden. Na de Boekenweek heb ik mij vrijwillig gemeld bij een psychotherapeut. Al zeg ik er meteen bij dat Henk Kraima (de directeur van de CPNB) zich dit niet persoonlijk hoeft aan te trekken. Alhoewel ik de CPNB na de Boekenweek drie flessen champagne heb gestuurd met een briefje 'het viel mee, bedankt'. En daarop heb ik nooit meer iets gehoord. Geen roosje, geen kusje, geen kaartje. Toen heb ik wel drie nachten huilend wakker gelegen. Mensen vergeten wel eens dat ik gevoelig ben en ook een erg gevoelige huid heb. Het zat al langer in mijn hoofd, maar ik dacht, na de Boekenweek moet het er maar van komen. Een bevriende relatie stuurde mij naar dokter Blumenthal op Lexington Avenue. Ik heb dat altijd geheim willen houden, maar nu kan het me niets meer schelen wat de mensen van me denken. Waarschijnlijk denken ze toch niets van me.

Dokter Blumenthal zegt dat alle mensen eendagsvliegen zijn en dat ik het me niet moet aantrekken als mensen mij een eendagsvlieg noemen. “Ook eendagsvliegen kunnen heel mooi zijn”, zegt Blumenthal.

Sommige mensen vliegen nog niet eens een hele dag, die vliegen alleen een klein gedeelte van de ochtend, ongeveer zo lang als een file nodig heeft om op te lossen.

Drie keer per week in de namiddag zie ik dokter Blumenthal. Van mijn huis naar Blumenthal is het tien minuten lopen en voor mijn bezoek aan de dokter drink ik altijd twee glazen ijskoude wodka om in de stemming te raken.

Vaak maak ik Blumenthal aan het lachen. Maar hem aan het huilen maken is me nog niet gelukt. “Dokter”, zei ik, “ik kan mijn eigen leed en dat van anderen niet serieus nemen, want dan zou ik uit het raam stappen, maar dat betekent niet dat u van de verplichting bent ontslagen om te huilen als ik u met zoveel leed confronteer en u lacht alleen maar of valt in slaap. Laat stromen die tranen.”

Blumenthal zei dat dokters dat niet mogen doen in bijzijn van de patiënten, zelfs niet als de patiënten erom smeken.

De mevrouw die na mij komt, komt iedere dag bij Blumenthal, nadat ook haar vierde huwelijk in een kleine hel is geëindigd. Ik hoef maar drie keer per week, want ik ben niet getrouwd. Volgens Blumenthal ben ik een compulsive liar. Ik ben al zoveel geweest in mijn leven, compulsive liar kan er ook nog wel bij.

Ik lieg uit angst, uit medelijden, uit gemakzucht, uit berekening, natuurlijk vanwege een paar esthetische overtuigingen, en ook om de schepper te eren. Ik vind dat mijn leven een eerbetoon aan de schepper zou moeten zijn, opdat die klootzak denkt: 'Ha, zo kan het dus ook'.

Ik vind het viezer om op een vreemde wc te gaan zitten dan met een volslagen vreemdeling naar bed te gaan. WC's vind ik viezer dan mensen, maar dat neemt niet weg dat ik mensen ook heel vies vind.

Eigenlijk kan je alleen maar met mensen naar bed als je niet veel van ze weet. Als je veel van ze weet kan je alleen nog maar samen huilen of uit het raam stappen of samen veel drinken en elkaar toedekken met ranzige paardendekens.

Als een vrouw mij zou vragen: 'Bind mij vast aan de centrale verwarming en neuk me', zou ik dat weigeren. Ik wil geen mensen aan de centrale verwarming binden, ook niet als ik ze niet hoef te neuken. Veel te veel gedoe, en wat levert het op?

Vroeg of laat wordt het toch weer zomer.

Ik hoorde van een kunstenaar die alles fotografeerde wat hij at en ook al zijn stront fotografeerde. En dat jarenlang, hij moet een gelukkig mens zijn geweest. Leuk cadeautje voor je kinderen als je dood bent. Dan doe je die foto's in een doos en zet erop: 'Dit was mijn leven'.

Sinds 1 augustus huur ik behalve mijn appartement ook nog een kleine studio in New York, waar ik mensen ontvang en de toekomst voorspel. Een kennis zei tegen me: “Je kan het Arnon, je kan de toekomst voorspellen.” En ik ben het gaan geloven, dus heb ik me gevestigd als onbezoldigd toekomstvoorspeller. In New York heb je daar geen diploma's voor nodig. In de volgende editie van de Gouden Gids sta ik er in, als toekomstvoorspeller. Dat zijn van die kleine dingen die het leven de moeite waard maken.

De toekomstvoorspellerij gaat heel goed. Leonard Cohen zong al: 'I've seen the future brother, it's murder'.

Ook kunnen mensen die getrouwd zijn, weinig geld hebben en toch met derden en vierden willen neuken tegen een kleine vergoeding van mijn studio gebruikmaken. Eigenlijk loopt dat nog beter dan de toekomstvoorspellerij. In het begin verschoonde ik de lakens zelf, maar nu heb ik daar een lieve dame voor gevonden. Al hoop ik dat de politie er niet achter komt, want dan arresteren ze me misschien nog als bordeelhouder. Voor de literatuur zou dat een zegen zijn, maar voor mijn moeder is het een ramp en zij is eigenlijk de enige persoon op deze wereld die ik boven de literatuur stel.

Als het erg heet is, neem ik de metro naar Brighton Beach en in een Russische strandtent eet ik pannenkoeken met zure room en visseneitjes in alle kleuren van de regenboog.

Soms zit ik daar met een lichte alcoholiste van 24 jaar. Zware alcoholisten zijn mensen die niet meer eten. Dat houd ik niet bij. Zolang er nog gegeten wordt zijn het lichte alcoholisten.

De lichte alcoholiste vertelde mij: “Onlangs kwam ik om twee uur thuis van een nachtclub en ik ging de keukenvloer boenen. Plotseling zag ik in het afwaswater een oude vork. Ik werd woedend en prikte in mijn arm, maar door de tranen prikte ik mis: in mijn hand. Volgens mij heb ik een zenuw geraakt, en nu gaat mijn hand niet helemaal meer dicht. De volgende keer, als het verband er af is neem ik een litteken voor je mee.”

En ik antwoordde: “Dat is het mooiste cadeau dat je me kunt geven.”

Daarna probeerden we uit te rekenen hoeveel tweehonderd gram wodka in liters was en toen dat niet lukte zei ze: “Het leven is mooi maar het moet niet te lang duren.”

Men dient om twee uur in de nacht geen keukenvloer te schrobben, dat is in ieder geval een ding dat zeker is.

Afgelopen donderdag zei ik: “Dokter, het leven is mooi, maar het moet niet te lang duren, vindt u ook niet?”

Helaas had Blumenthal geen tijd meer deze vraag te beantwoorden. Toen ik door de hete straten naar huis liep en allemaal mensen zag rennen om hun keukenvloer te schrobben, dacht ik: eigenlijk kan ik alles wat ik aan Blumenthal vertel net zo goed aan de lezers van NRC Handelsblad vertellen.