De 'sjwartse jorren' van Eriek Verpale

Eriek Verpale: De patatten zijn geschild. Nagelbrieven 1975-1980. De Arbeiderspers, 190 blz. ƒ 39,90

In het voorwoord van De patatten zijn geschild windt Eriek Verpale er geen doekjes om: dit boek zou er niet zijn geweest als Martin Ros, toen nog redacteur van De Arbeiderspers, niet toevallig een keer was langsgekomen. In de kelder, waar Verpale moest zijn vanwege een lekkage, trof hij een vieze kartonnen doos aan met oude kranten. Onder die kranten bevond zich een verzameling briefjes uit de jaren zeventig, gericht aan Cécile, zijn 'Gewezen Huisgenote', voor het merendeel geschreven in het holst van de nacht. 'De ontdekking van deze al lang verloren gewaande kattebellen', zo verzucht Verpale, 'in het beste geval opgejeund met een soort zondagskunst, heeft mij dagenlang weer dicht bij de fles gebracht'. Het liefst had hij ze verbrand, zoals hij deed met duizenden andere brieven die hij aan (ex-)geliefden schreef, maar Ros wist hem blijkbaar te overtuigen van hun bestaansrecht. Voor alle zekerheid meldt hij in het voorwoord nog dat hij op deze correspondentie 'niet trots' is.

Zijn episteltjes, nagelbrieven genoemd omdat hij ze vaak aan een spijker aan de keukendeur bevestigde, doen verslag van een somber lustrum uit zijn bestaan, een lustrum dat hij in het jiddisch rekent tot zijn 'sjwartse jorren'. De inhoud ervan varieert van een eenvoudige mededeling ('ik ben naar de apotheker', 'ik heb het gras gemaaid' of 'de patatten zijn geschild') tot de veel uitgebreidere aankondiging van zijn vertrek uit de echtelijke woning. Literaire kwaliteit hebben deze nagelbrieven, door hun huiselijke feitelijkheid en beknoptheid eigenlijk nauwelijks, maar ze hebben wel het schrijverschap als voornaamste onderwerp.

Op 13 augustus 1979 schreef hij onder meer aan zijn reeds slapende vrouw: 'Je begrijpt het al: van schrijven is ook vanavond niets terechtgekomen.' En twee weken later: 'Geschreven, maar niet tevreden. Ik kan niets.' Het schrijven, of niet-schrijven, speelde zich vooral 's nachts af, als Verpale niet naar 'de fabriek' hoefde (waar hij als boekhouder werkte), als hij niet met vrouw en kind op familiebezoek hoefde, of bezoek hoefde te ontvangen en als er niet over hypotheken en koopwoningen gesproken hoefde te worden. Opvallend zijn de overeenkomsten met zijn laatste roman Gitta (1997), die duidelijk uit dezelfde periode stamt en ongeveer dezelfde ingrediënten bevat: de moeizame schrijverij, het besef van eigen nietigheid, de knorrige echtgenote die geen begrip heeft voor zijn geestelijke noden en behoeften, omstandigheden die hem verhinderen te doen wat hij het liefst zou doen: alleen maar thuis zitten schrijven. Het nichtje Gitta komt, als Brigitte, in de nagelbrieven ook een paar keer ter sprake. Liefhebbers van het werk van Verpale zullen weinig nieuws aantreffen in deze nagelbrieven, ondanks de later toegevoegde annotaties van de schrijver. Wat De patatten zijn geschild bijzonder maakt, zijn de cartoon-achtige tekeningen waarmee de brieven zijn verlucht. De mooiste en meest ontroerende nagelbrief is die van 14 mei 1975, zonder tekst. We zien een tekening van een scheve toren van Babel. Helemaal onderaan probeert een nietig mannetje het onafzienbare bouwwerk te beklimmen.

Het is een raar idee dat Verpale nog maar 23 was toen hij zijn nagelbrieven begon te schrijven. Ieder spoor van jeugdigheid ontbreekt erin, ook in de tekeningen die, hoe geestig vaak ook, druipen van melancholie en schuldbesef. Als twintiger moet hij al oud zijn geweest en der dagen zat. Toen al wist hij dat het nooit meer iets zou worden, dat wat hij wilde toch niet in zijn macht lag. 'Wat ik achternahol is zó onduidelijk', schreef hij op 24 augustus 1979, 'en in elk geval zo veeleisend dat slechts een wonder het einde in zicht zal brengen.' Wat hij ook schreef of maakte, hij was er niet tevreden over. Een voltooide dichtbundel ontlokte hem de verzuchting dat poëzie zijn medium niet was, 'zoals de brieven dat evenmin zijn'. Behalve duizenden brieven gaf hij - naar eigen zeggen - ook gedichten, verhalen, tekeningen, schilderijen en een hele roman aan de vlammen prijs, of aan het langs zijn huis stromende kanaal.

Ook op De patatten zijn geschild is hij, als gezegd, 'niet trots'. Niemand zal trouwens willen beweren dat deze nagelbrieven een onmisbare bijdrage leveren aan de wereldliteratuur. Maar ze hebben wel iets aandoenlijks, weggesleept als ze zijn voor de poorten van de vergetelheid. Ze hadden er net zo goed niet kunnen zijn, maar nu dat wel zo is, nemen we ze voor wat ze zijn: niemendallen wellicht, maar mooie niemendallen.