De oproep

De burgemeester van ons dorp, Dominique Bousquet, is een 'député-maire'. Dat wil zeggen, hij is gekozen burgemeester van ons dorp, Thenon, hoofdplaats van het kanton. Hij is tevens gekozen parlementslid, voor het kiesdistrict. Ooit heb ik drie woorden met hem gewisseld, toen hij bij de verkiezingscampagne een bistro binnenwipte.

Ik werd aan hem voorgesteld door Yves Pouyau, een kennis, voorzitter van de ACAT (Association des Commerçants et Artisans de Thenon), ofwel de organisatie van handelaren en ambachtslieden uit het kanton, de ondernemers dus. Later begreep ik het belang van de ACAT als forum en adviesorgaan voor het gemeentebestuur. Ik bekende toen geen handel te bedrijven, geen ambacht te beoefenen en niets meer te zijn dan een neergestreken vreemdeling in ruste, een buitenlander.

“Wat trekt u eigenlijk aan in ons dorp?” vroeg de burgemeester. En ik antwoordde: “Daarginds, meneer de burgemeester, over de route nationale RN 89 trekt de twintigste eeuw aan uw dorp voorbij; dat vind ik de charme ervan.”

“Daar kom ik op terug”, zei hij ernstig. Maar volgens mijn kennis Yves zei hij dat elke keer. Laatst kwam ik Yves weer tegen in de hoofdstraat. Ik vroeg naar het welzijn van zijn vereniging, maar hij schudde bedroefd het hoofd. “Slecht. Het bestuur valt uiteen en de leden blijven weg. Maar nu gaat de burgemeester er zelf wat aan doen. Hij wil zelfs een nieuw bestuur aanwerven en heeft voor vanavond alle ondernemers uit het kanton opgeroepen naar het gemeentehuis. Kom kijken.”

In de vooravond stond ik op het plein voor het gemeentehuis, terwijl mijn dorpsgenoten uit de omgeving naar de bebouwde kom kwamen aanrijden, een streep gele koplampen die afstak tegen de donkere heuvels. Rondom me werden de vehikels geparkeerd en er vormde zich een stoet mannen om naar binnen te gaan. Toen verscheen ook de burgemeester. Hij schudde vele handen, herkende mij en zei vriendelijk: “Welkom. Misschien brengt u ons wel op een idee.” We sloten ons aan bij de stoet van grijsgeruite petten en donkere baretten en trokken over het bordes naar binnen.

De stoelen in het zaaltje waren in een oogwenk bezet. Aan de achterwand, onder het portret van Jacques Chirac, nam de burgemeester plaats aan een tafel bedekt met een groen kleed dat tot de vloer reikte. Zelf zocht ik een plaatsje aan de kant, onder het raam.

Na zich ampel de handen te hebben gewreven en de keel te hebben geschraapt, stond de burgemeester op en nam het woord. Hij memoreerde in één adem de ernst der tijden en de neergang van de plaatselijke heffingen en wees er op dat dat laatste zijn werk was geweest. “Maar nu doe ik een beroep op jullie, want alleen kan ik het niet.”

Mijn dorpsgenoten leken tegen de zon in te kijken en bogen het hoofd naar de vloer. De burgemeester, rijzig met zwarte baard, spreidde de armen als een verkondiger en zei: “Wie van u mag ik als eerste het woord geven?”

De hoofden bleven gebogen, men draaide de petten rond in de verweerde knuisten. Dit tafereel duurde geruime tijd. Toen gebeurde er iets. Op het middenpad tussen de rijen stond ineens een grijsaard, leunend op zijn stok, zijn baret in de hand geklemd.

“Meneer de burgemeester”, begon hij schor, “we weten allemaal hoe het gekomen is, wie onze klanten weghaalt en de winst opstrijkt. Het is het grootbedrijf op het industrieterrein bij de stad, met zijn weggeefprijzen en buitenlandse producten. Het zijn de winkelcentra. Daar kan een gewoon mens niet tegenop werken.” Het laatste klonkt als een snik.

De burgemeester veranderde nu van tactiek. Hij wees met de vinger de volgende spreker aan en noemde zijn naam. “Deschamps, wat mogen we van jou verwachten?”

De aangesprokene stond op. “Ik werk veertien uur per dag, burgemeester. Daar kan geen uur meer bij. Het spijt me.”

Het speet hem en het speet Grand. En Chevalier. En Nadal. Er volgden er nog zo'n vier of vijf. Het speet hen allen. Maar de burgemeester gaf niet op. Zijn vinger ging verder langs de rijen, op en neer, heen en weer.

En toen gebeurde waar ik niet aan had durven denken. De vinger bereikte onze rij, mijn rij. Hij zwenkte, zwenkte, toen stopte hij, onherroepelijk maar onmiskenbaar bij mij. “U daar, meneer, ik weet uw naam niet meer...”

Ik stond op met kurkdroge mond. De vertaalmachine in mijn hoofd draaide roodgloeiend. Ik hoorde mezelf zeggen: “Meneer de burgemeester, misschien is er nog hoop. Als wij onszelf, als wij het kanton presenteren als één grootbedrijf, als één winkel- en dienstencentrum. Wij hebben immers alles te bieden. Kwestie van presentatie.” Ik plofte neer, totaal verbluft door het applaus van mijn dorpsgenoten. En zo werd ik, bij acclamatie, benoemd tot bestuurslid van de ACAT.