De genen hebben het gedaan; Rehabilitatie van een reductionist

Edward O. Wilson: Consilience. The Unity of Knowledge. Knopf, 332 blz. ƒ 65,-

Het is 1975. Evolutiebiologen hebben steeds meer inzicht gekregen in de implicaties van Darwins theorie voor het gedrag van dier en mens. Tot dan toe 'onverklaarbare' fenomenen als samenwerking en alruïsme blijken te kunnen worden geformuleerd in termen van natuurlijke selectie onder genen.

Op dat moment gooit de Harvardentomoloog Edward O. Wilson de knuppel in het hoenderhoek met de publicatie van Sociobiology. The New Synthesis. Het is met name het laatste, aan de mens gewijde hoofdstuk dat een storm van kritiek doet opsteken. Wilsom betoogt dat ons sociaal gedrag een genetische basis heeft, maar in de ogen van zijn tegenstanders komt het erop neer dat de mens volledig door zijn genen zou zijn bepaald. Wilson zou agressie en discriminatie goed willen praten. Hij wordt uitgemaakt voor alles wat slecht is, culminerend in een open brief van een aantal collega's in de New York Review of Books waarin zijn ideeën met die van de nazi's worden vergeleken.

Sociobiology was het verkeerde boek op het verkeerde moment. Als Wilson het twintig jaar later zou hebben gepubliceerd, had er geen haan naar gekraaid: het gen-determinisme heeft zich inmiddels een (terechte) plaats verworven in de maatschappelijke canon, zij het dat de scherpe kantjes er wel een beetje van af zijn gehaald. De huidige discussies draaien alleen om de mate waarin bepaalde eigenschappen genetisch bepaald zijn.

Wilsom leek redelijk onaangedaan te blijven onder de kritiek. Hij ging gestaag door met publiceren. Dat leverde hem twee Pulitzer prizes op, in 1978 voor On Human Nature en in 1990 voor het standaardwerk over zijn liefvelingsdieren The Ants. Na een prachtige autobiografie in 1994 is er dan nu het boek dat je zijn magnum opus zou kunnen noemen: Consilience. The Unity of Knowledge.

De ondertitel getuigt al van zijn ambitieuze doelstellingen. De titel spreekt minder voor zich, ook de Van Dale weet niet wat het woord betekent. Wilson ontdekte het in het werk van de negentiende-eeuwse Engelse filosoof William Whewell. In diens The Philosophy of the Inductive Sciences betekent het een 'samenspringen' van kennis, wanneer diverse wetenschappelijke theorieën een gemeentschappelijke basis blijken te hebben, en een eenheid vormen.

Wilson gelooft heilig in die eenheid: de wereld is netjes geordend en kan worden verklaard in termen van een beperkt aantal natuurwetten. Het is het reductionistische wereldbeeld in zijn verst doorgevoerde zin. 'Alle tastbare verschijnselen - van de geboorte van sterren tot de werking van sociale instituties - zijn gebaseerd op materiële processen en kunnen uiteindelijk worden gereduceerd tot de wetten van de natuurkunde.'

Zelf noemt Wilson het ook wel de Ionische betovering, omdat het de Ionische natuurfilosoof Thales van Milete was die als eerste soortgelijke ideeën formuleerde over de materiële grondslag van het leven: alles was water. Pas tijdens de Verlichting kwam opnieuw de droom van een intellectuele eenheid tot leven, om tot grote teleurstelling van Wilson toch weer te sneuvelen. Maar Wilson vindt in die tijd wel zijn helden, zoals de Franse denker Condorcet, die geloofde dat ook cultuur aan exacte wetten onderhevig was, en Francis Bacon, die de inductieve methode zag als het middel om inzicht te krijgen in alle wetten die ten grondslag liggen aan het menselijk bestaan.

Er kwam van die grootse plannen weinig terecht, maar toch werd in de Verlichting de basis gelegd voor het enorme succes van de natuurwetenschappen in de daaropvolgende eeuwen, op de vleugels van het reductionisme. De 'harde' natuurwetenschappers lieten de filosofen en dichters nog even vrij spel in hun studie van het geestelijk leven van de mens. Nu is echter de tijd gekomen - zo vindt Wilson - om eindelijk eens echte vorderingen te maken.

Maar om dat grote overzicht te kunnen krijgen zal eerst een einde moeten worden gemaakt aan de steeds extremere vormen van specialisatie. Er dienen bruggen gebouwd te worden, de kloof tussen de Two Cultures van C.P. Snow moeten worden overbrugd. Wilsons hoop is daarbij gevestigd op wat hij consilience bij analyses noemt, het uiteenrafelen van ingewikkelde verschijnselen in hun veel eenvoudiger delen. Het is het verklaren van de werking van een cel uit de organellen die erin rond zweven, en de eigenschappen daarvan weer uit de moleculen waar ze uit opgebouwd zijn.

Het eerste grote porject dat Wilson ter illustratie opvoert, is de kennis van onze geest. Helder schetst hij de vooruitgang die in de afgelopen vijftig jaar is gemaakt bij het verklaren van de mechanismen die ons denken uitmaken. Vanzelfsprekend komt hij uit bij de vrije wil. Als onze geest niets anders is dan het resultaat van natuurkundige processen, welke ruimte is er dan voor een vrije wil? Wilson betoogt dat veel van de hersenactiviteit die leidt tot het nemen van beslissingen onbewust plaatsvindt. Een vrije wil bestaat volgens hem dus niet, maar we kunnen niet anders dan erin geloven.

Dat het intussen niet zo simpel zal zijn een menselijke geest in de computer na te bootsen, weet Wilson ook wel. Zo is er nog praktisch niets bekend over de invloed die emoties hebben op onze hersenactiviteit, en daarnaast dragen we in onze genen allemaal het resultaat met ons mee van een evolutionaire ontwikkeling van miljoenen jaren.

En daarmee is Wilson bij de kern van zijn betoog aangeland. Hij had immers nog een appeltje te schillen met zijn voormalige critici, die hem naar aanleiding van Sociobiology uitmaakten voor alles wat toen verkeerd was: determinist, reductionist, materialist. Dat moet hem toch niet lekker hebben gezeten. En het moet gezegd, de manier waarop hij nu zijn lezers probeert te overtuigen van zijn opvattingen en tegelijk zijn tegenstanders van repliek dient, is heel wat slimmer en subtieler dan twintig jaar geleden.

We weten, zegt hij, dat praktisch al het menselijk gedrag wordt overgedragen door middel van cultuur, en dat cultuur wordt geschapen door the common mind. Maar tegelijkertijd heeft de biologie - lees: ons genetisch materiaal - een grote rol gespeeld bij het ontstaan van die cultuur en oefent zij nog altijd een grote invloed uit op de manier waarop de overdacht ervan plaatsvindt. Wij maken immers met zijn allen deel uit van natuurlijke selectie van onze genen. Als we dus de eenheid willen vinden in de veelheid van het menselijk denken, moeten we op zoek n aar de verbinding tussen die aanvankelijk puur genetische evolutie en de culturele evolutie van de laatste paar honderdduizend jaar: van genen naar cultuur.

En daar steekt de sociobiologie weer de kop op, zij het in het wat meer politiek correcte jasje van de evolutionaire psychologie. Wilson zelf heeft het liever over een 'co-evolutionair proces'. Dat slangen in alle beschavingen in legenden en dromen een belangrijke rol spelen, komt omdat we een ingeboren angst voor deze dieren bezitten. Die angst had in de primitieve beginjaren van onze soort overlevingswaarde en heeft zich dus in ons genetisch materiaal en daarmee ook in onze beschaving genesteld.

Het is maar een van de vele voorbeelden die Wilson aanvoert om te laten zien hoe cultuur en genen samen evolueren en elkaar voortdurend beïnvloeden. Mensen worden langs genetische weg gepredisponeerd tot een bepaald gedrag. Mensen volgen epigenetische regels, aangeboren vuistregels die ons in staat stellen om voor elk probleem een snelle oplossing te vinden. Een voorbeeld is het verschijnsel dat we seksuele relaties uit de weg gaan met die individuen met wie we onze eerste levensjaren hebben doorgebracht: een cultuurverschijnsel dat zijn wortels heeft in de biologie. Incestvermijding is essentieel, omdat de sterfte onder kinderen van naaste verwanten veel hoger is dan onder gewone kinderen en de kans op genetische defecten veel groter.

Wilson is hier overduidelijk op bekend terrein. Als een ervaren gids neemt hij de lezer aan de hand en wint hem voor zijn zaak. Hoe komt het dat een primitieve stam die nog nooit een westerling heeft gezien toch feilloos diens gezichtsuitdrukkingen interpreteert? Waarom houden alle baby's van suikeroplossingen? Het zijn allemaal aardige anekdotes waarmee Wilson overtuigend zijn punt weet te maken.

Heel wat moeilijker heeft hij het wanneer hij moet aantonen dat ook de sociale wetenschappen, economie en zelfs literatuur en beeldende kunst uiteindelijk zijn terug te voeren op epigenetische regels. Niet alle grote kunst sluit aan bij een aangeboren gevoel voor schoonheid, de sociologie is méér dan de bestudering van onze natuurlijke drang tot coalitie-vorming, en het is overdreven om de economie pas als wetenschappelijk te kwalificeren wanneer zij zich gaat bezighouden met individuele voorkeuren en beslissingsstrategieën. Maar Wilson is dan al niet meer te stoppen. De sociale wetenschappen moeten zich ontdoen van (nutteloze) ideologieën. Ook ethiek en godsdienst laten zich verklaren als het product van materiële processen. Uiteindelijk zijn alle grote vragen van wetenschappelijke aard, en niet spiritueel.

Hoe verder Wilson afdwaalt van zijn natuurwetenschappelijke achtergrond, hoe moeilijker het is om hem te volgen in zijn grenzeloze optimisme en al te ver doorgevoerde conclusies. Toch komt hij steeds wel weer even met beide benen op de grond terug. Ook zijn afkeer van zweverige filosofie en met name van het postmodernisme - dat hij als grote antithese ziet van zijn consilience - maakt hem sympathiek. Uiteindelijk dient consilience bij hem ook een praktisch doel. Alleen door de natuurwetenschappen te integreren in de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen kunnen we de ecologische rampen afwenden die de aard bedreigen. Het is te hopen dat de oplossing van die problemen er wat eerder is dan die grote allesomvattende theorie.