De Amerikaanse overmoed wordt bestraft

De vrij hopeloze zoektocht in de ruïnes in Nairobi en Dar-es-Salaam naar aanknopingspunten voor de bomaanslagen van vorige week vrijdag is symbolisch voor de strijd tegen het internationale terrorisme. In Nairobi is de achtergebleven puinhoop als gevolg van de chaotische reddingspogingen praktisch verloren voor de feitelijke recherche.

De plaats van de misdaad is zo ernstig verstoord dat sporen van de daders waarschijnlijk niet meer zijn te vinden. Maar zelfs als dat wel het geval zou zijn, blijft het hoogst onzeker of president Clinton zijn belofte gestand zal kunnen doen, en de verantwoordelijken hun gerechte straf zullen ondergaan. De terroristische netwerken zijn talrijk en verscheiden, hun relaties met staten nauwelijks aan te tonen. Zelfs de lange arm van de Verenigde Staten biedt geen zekerheid dat zij kunnen worden opgespoord, laat staan dat zij worden aangepakt.

In de loop van de jaren heeft het internationale terrorisme een gedaanteverwisseling ondergaan. Aanvankelijk kwam het voort uit de ondergrondse Palestijnse strijd tegen Israel. Maar ook toen al - de gijzeling in 1975 in Wenen van elf OPEC-ministers komt in gedachten - was het een afspiegeling van conflicten binnen de Arabische en de islamitische wereld. In 1973 wilden de kapers van een KLM-Boeing evenzeer afrekenen met Israel als met de Jordaanse monarchie.

In de loop van de jaren tachtig is Amerika het voornaamste doelwit van het internationale terrorisme geworden. De Amerikaanse steun aan Israel wordt ter rechtvaardiging van aanslagen nog wel genoemd, maar dat is een ritueel geworden voor uitingen die overigens voortkomen uit regelrechte algemene haat tegen alles wat Amerikaans is. De omslag ligt waarschijnlijk in het Iran van de jaren zeventig waar als uitvloeisel van de grootscheepse Amerikaanse steun aan de sjah de Verenigde Staten vereenzelvigd raakten met diens verafschuwde totalitaire regime. Toen president Carter ook nog eens de doodzieke vorst als vluchteling in Amerika toeliet, bezetten jonge fundamentalistische Iraniërs de Amerikaanse ambassade in Teheran en gijzelden er de diplomaten. Daarmee was de toon gezet. In het vocabulaire van de nieuwe machthebber, ayatollah Khomeiny, waren de VS de “grote satan”. Dat zijn zij voor Khomeiny's epigonen, ook buiten Iran, tot op heden gebleven.

De Amerikanen lijken het slachtoffer te zijn geworden van een soort repeterend boemerangeffect. Het scenario herhaalt zich. De landen waar de anti-Amerikaanse gevoelens het sterkst zijn, zijn veelal staten waarmee de VS nauwe betrekkingen onderhielden of onderhouden. Niet alleen Iran, maar ook Pakistan, Egypte, Somalië, Jemen en Saoedi-Arabië vallen in deze categorie. In Afghanistan, waar nu een van de kwaadaardigste Amerika-bashers zich schuil zou houden, beslechtten de mujahedeen hun guerrilla tegen de Sovjet-Unie met behulp van Amerikaanse luchtdoelraketten. Iran is, samen met Libië, Syrië en Soedan, op de lijst gezet van zogenoemde rogue states, die de Amerikanen verantwoordelijk houden voor tal van aanslagen in het verleden. De vraag of deze staten met de moordpartijen in Oost-Afrika te maken hebben staat open.

De geschiedenis van het Amerikaanse antwoord op het internationale terrorisme is niet eenduidig. In Amerikaanse commentaren wordt nu herinnerd aan de luchtaanvallen die president Reagan in 1987, na een aan Libië toegeschreven aanslag op een disco in Berlijn, trefplaats voor Mädel en GI's, liet uitvoeren op Tripoli en Bengazi. Daarna zouden, volgens die commentaren, Amerikanen en Amerikaanse vestigingen een tijdlang van aanslagen verschoond zijn gebleven. Terroristen verstaan slechts één taal en dat is de taal van het tegengeweld, is de boodschap. Maar anderhalf jaar later sloegen de Libiërs terug met het tot ontploffing brengen van een PanAm Boeing boven het Schotse Lockerbie.

Daar staat tegenover dat in 1983 dezelfde Reagan zijn troepen overhaast liet inschepen nadat in Beiroet een autobom aan 241 mariniers het leven had gekost. Met het voor die aanslag verantwoordelijk gehouden Iran ruilde hij later wapens voor gijzelaars, een transactie die tot het Iran-Contrasschandaal leidde. Clinton, door vele Amerikanen van zwakte in het oog van de vijand beticht, liet in 1993 kruisraketten op Bagdad afschieten nadat een door Irak geïnspireerd complot tegen het leven van zijn voorganger George Bush aan het licht was gekomen. De aanslag had moeten worden gepleegd tijdens een bezoek aan Koeweit.

Bush zelf blijft dé held van het succesvolle militaire antwoord. Saddams overval op Koeweit is nog steeds de meest vernietigende uiting van staatsterrorisme sinds het einde van de Koude Oorlog. De geallieerde zege in de Golfoorlog was daarop een passende reactie. Maar het doel van de interventie was beperkt - de bevrijding van Koeweit. Het resultaat, met Saddam in de rol van onbedwingbare provocateur, blijft omstreden.

De wereld van Clinton is niet de wereld van Bush - die het zich kon veroorloven en passant het staatshoofd van Panama te ontvoeren en wegens handel in verdovende middelen voor de Amerikaanse rechter te brengen. Het einde van de Koude Oorlog had een, achteraf gezien korte, periode van saamhorigheid tussen de staten ingeluid, een window of opportunity geopend, zoals dat tegenwoordig zo fraai heet. Maar dat venster is inmiddels weer gesloten. In de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties is de eenheid ver te zoeken wanneer het om de bestrijding van uitwassen binnen de internationale gemeenschap gaat.

Vanzelfsprekend is de afkeer van moordpartijen als die in Nairobi en Dar-es-Salaam algemeen. Telefoontjes van medeleven van bevriende staatshoofden hebben het Witte Huis overspoeld. Doch zelfs maar het denken over een gezamenlijke operatie tegen het internationale terrorisme is daarmee bij lange na niet begonnen. Dat behoeft geen bewijs van kwade wil te zijn. Veel landen zijn te geobsedeerd door hun eigen problemen om een bijdrage te leveren aan iets dat een echo zou kunnen worden van het geallieerde optreden tegen Saddam Hussein. Maar dat is niet de enige reden voor hun passiviteit. Er is een sterk gevoelen dat de Verenigde Staten geen maat houden, dat zij eigenzinnig en overmoedig handelen en tegelijkertijd worden geteisterd door aanvallen van besluiteloosheid en verwarring. Pas als dat gevoelen kan worden weggenomen, ontstaat een kans op verbetering van de samenwerking. De jongste bloedbaden onderstrepen dat het daarvoor de hoogste tijd is.