Commissie laat kansen liggen in zaak-De Boer

De arbitragecommissie van de KNVB heeft op 30 juli bepaald dat er geen gewichtige redenen waren op grond waarvan de arbeidsovereenkomst tussen de gebroeders De Boer en Ajax ontbonden kon worden. Inmiddels is enige tijd verstreken zonder dat de patstelling die tot de zaak heeft geleid is doorbroken. Een reden temeer om het vonnis van de commissie onder de loep te nemen.

Door de De Boers was gesteld dat zij vijf keer zoveel konden verdienen bij Barcelona als bij Ajax. Op zichzelf wordt dit door kantonrechters, die normaal gesproken dit soort zaken behandelen, gezien als een ontbindingsgrond. De arbitragecommissie wees deze grond echter af omdat de broers in hun contract een clausule hadden laten opnemen waarin zij afzagen van hun recht om de ontbinding te vragen, zelfs niet indien zij bij een andere club meer konden verdienen. Deze clausule is echter nietig op grond van artikel 7:685 lid 1 BW. De commissie is daaraan voorbijgegaan en heeft de clausule zwaar laten meewegen bij haar vonnis. Het oordeel van de commissie is dus op dit punt hoogst opmerkelijk te noemen.

Daarnaast stelden de broers dat de arbeidsverhouding verstoord was. In haar vonnis stelt de commissie dat als de verhoudingen al verstoord zijn dit te wijten is aan de broers en dat de verstoring derhalve niet tot ontbinding kan leiden. De commissie kon allereerst niet vaststellen dat de verhoudingen verstoord waren. Op zichzelf is dit oordeel al merkwaardig, omdat rechters in het algemeen aannemen dat de verhouding verstoord is indien een der partijen dit stelt. Nog opzienbarender is de opvatting van de commissie dat als de verstoring van de verhouding aan een der partijen ligt, een verzoek van deze partij tot ontbinding op basis van deze verstoring dient te worden afgewezen. Voor zover mij bekend is deze opvatting uniek en niet houdbaar binnen het Nederlandse arbeidsrecht. Het 'voor straf' in dienst laten van de kwaadwillige werknemer, staat haaks op het beginsel van volwassen arbeidsverhoudingen dat het arbeidsrecht kenmerkt en ook op het idee dat de meest verregaande straf voor een werknemer het ontslag is.

Veel meer had het voor de hand gelegen om de verwijtbaarheid ten aanzien van het ontstaan van de verstoring van de verhoudingen, te laten doorklinken in de ontbindingsvergoeding. De commissie had op die wijze voor eens en voor altijd duidelijkheid kunnen scheppen over de juridische houdbaarheid van de transfersommen. Zij had dan zelf kunnen bepalen wat de waarde is van een lang doorlopend contract en in hoeverre de speculaties over de transferwaarde (44 miljoen gulden, zoals Barcelona heeft voorgesteld of 80 à 100 miljoen, zoals de advocaat van Ajax beweerde) terecht waren. Vermoedelijk was zij echter bevreesd om een dergelijk ingrijpend oordeel te vellen dat, ofwel van de kant van de clubs, ofwel van de kant van de spelers en wellicht de maatschappij op zware kritiek zou stuiten.

De commissie heeft nu bewerkstelligd dat partijen gedwongen zijn om verder te onderhandelen. De uitkomst lijkt al vast te staan, de transfersom die Ajax zal mogen vragen zal de hoogste zijn die ooit voor Nederlandse spelers betaald is. Het is echter de vraag of de tendens van almaar stijgende transfersommen niet doorbroken moet worden. Wat dat betreft heeft de arbitragecommissie een unieke kans laten liggen.

Met de broers De Boer hoeven we intussen geen medelijden te hebben. Het aandeel Ajax steeg na het vonnis met enkele guldens. Als de heren handig gebruik hebben gemaakt van de door hun werkgever verstrekte opties hebben zij hun proceskosten al lang terugverdiend.