Betoverd door vlinders; Over Federico García Lorca en René Daniëls

Ze komen allebei uit het zuiden: de dichter uit Granada, de schilder uit Eindhoven. En ze lijken op elkaar als broers. Voor Pam Emmerik zijn Federico García Lorca en René Daniëls versmolten tot één persoon en ze hoopt dat er ook minder banale overeenkomsten zijn.

The Most Contemporary Picture Show, René Daniëls in het Van Abbemuseum, Eindhoven t/m 30 augustus. Daarna te zien in Kunstmuseum Wolfsburg (11 sept.-3 jan. '99), Kunsthalle Basel (30 jan.-5 apr. '99) en aansluitend in Stedelijk Museum Amsterdam.

Ian Gibson: Federico García Lorca, biografie. Uitg. Meulenhoff, 559 blz, ƒ 79,90 (gebonden) of ƒ 59,90 (paperback)

Hij houdt van me, hij houdt niet van me, hij houdt van me, hij houdt niet van me... Bloemblaadjes aftellen. Niet onder ladders door lopen. Altijd een geluksgetal gebruiken. Woeste uitspraken afkloppen op onbewerkt hout. Het zijn alledaagse vormen van magisch denken, die een verband tussen dingen suggereren dat onlogisch is. Alsof je levensloop zou kunnen afhangen van het feit of je wel of niet op de rand van een stoeptegel gaat staan. Het is een afgekloven poging om greep te krijgen op het leven, dat anders als een vloedgolf over je heen zou gulpen. Alleen is de wereld te groot, te veelvormig, vol rumoer, mogelijkheden en afgronden om ooit greep op te kunnen krijgen.

Het maken van kunst lijkt soms ook zo'n vorm van magisch denken. Vol rituele trekjes, waarin alles bezield is en verbanden gelegd worden die ongerijmd zijn. Maar het is in de eerste plaats een persoonlijke vorm, die niet banaal is, nog niet afgekloven. Als je ooit een mens bent kwijtgeraakt blijf je daarna zoeken naar scherfjes van die persoon in andere mensen, naar een overeenkomst in gebaren, stembuiging, manier van lopen, voorliefde voor witte overhemden. Het is persoonsrecycling, soms merk je tot je schrik dat, als de tijd maar lang genoeg verstrijkt, twee mensen in je gedachten zelfs kunnen samensmelten tot één tweekoppig wezen, een soort kermisattractie voor jou alleen.

In mijn gedachten zijn René Daniëls, van wie ik twee jaar les gehad heb, en Federico García Lorca, wiens werk ik al ruim tien jaar voortdurend lees, bijna één persoon geworden, dichtend, schilderend, tekenend, zingend, lijdend aan het leven. Dat is natuurlijk een afwijking van mij. Ok, Daniëls en Lorca lijken uiterlijk op elkaar. Ze zouden broers kunnen zijn, met hun donkere, opmerkzame ogen, brede jukbeenderen en zinnelijke mond. Maar dat is een nogal banale overeenkomst die het zwart van hun wenkbrauwen niet kan uitwissen. Hopelijk zijn er andere overeenkomsten die minder banaal zijn. Wel, niet, wel, niet, wel...

Verderf

Federico García Lorca werd honderd jaar geleden in Andalusië geboren. Al vroeg werd zijn talent voor muziek en literatuur onderkend. Hij schreef gedichten, liedjes en toneelstukken. In 1923 leerde hij in Madrid de piepjonge Salvador Dalí kennen, die zijn grote liefde zou worden. Dalí heeft hem op een reeks van schilderijen en tekeningen afgebeeld. Lorca op zijn beurt schijnt geprobeerd te hebben Dalí te penetreren, de biografen zijn er niet helemaal over uit. 'Ja, de anus. Dat is de mens zijn straf. De anus is de mens zijn verderf, zijn schande en zijn dood', laat Lorca in een toneelstuk (Het publiek) een personage zeggen. Onder invloed van het wurgend puriteinse klimaat in Spanje heeft hij zich overigens nooit openlijk uitgesproken over zijn homoseksualiteit.

De cineast Buñuel, een vriend van Lorca en Dalí, heeft altijd categorisch ontkend dat Federico homo was en verklaarde een 'bloedhekel aan pederasten' te hebben. Homoseksualiteit is een belangrijk thema in Lorca's werk, maar discriminatie leidt niet zelden tot zelfhaat: 'Tegen jullie, steeds weer, die de jongens/ druppels toedient van gore dood met bitter gif (-) Nichten van heel de wereld, duivenmoordenaars!/ Slaven van de vrouw. Teven van hun boudoirs.' Eerder in hetzelfde gedicht (Ode aan Walt Whitman) slaat hij echter een zachtere toon aan: 'Daarom spreek ik niet hard, oude Walt Whitman, over/ het jongetje dat een meisjesnaam op zijn kussen schrijft,/ over de jongen die zich in een donkere kleerkast als bruid verkleedt'.

Kort geleden nog keerde Nobelprijswinnaar Camilo José Cela zich tegen de deelname van homo's aan de feestelijke herdenking van de honderdste geboortedag van Lorca. Wat een reactionaire oude zak is die Cela, net als Buñuel overigens, maar dat is tenminste een dode reactionaire zak.

Lorca had veel bewonderaars en volgelingen, die allemaal wilden doen geloven dat zij Federico's beste vriend waren. Talloos zijn de verhalen over zijn magische persoonlijkheid. Mildred Adams, journaliste bij de New York Times, ontmoette hem op een rondreis door Spanje. Hij zong ballades voor haar, zichzelf begeleidend op een aftandse hotelpiano: 'in zijn gebaren, de toon van zijn stem, de expressie van zijn gezicht en lichaam was Lorca zélf die ballade.' Een andere journalist typeerde hem eens als 'een vroegrijp kind, bedorven door waanzinnige elfjes'.

Openbaar Kunstbezit

In 1987 kreeg René Daniëls een dubbele hersenbloeding die hij wel overleefde, maar die zijn loopbaan leek te beëindigen. Een loopbaan die in de jaren voorafgaand aan die ziekte enorm succesvol was. Hij exposeerde in talloze galeries en musea, nam deel aan internationale tentoonstellingen als Zeitgeist en Documenta IX, gaf les aan Ateliers '63 en de Jan van Eyckacademie. Iedereen wilde hem kennen. Daniëls werd Openbaar Kunstbezit, veranderde in 200% Daniëls. En hij maakte school. Begin jaren tachtig was het een poosje mode net zulke onaffe en taalbewuste schilderijen te maken als hij deed.

Daniëls' werk wordt in de kunstwereld bewonderd en gekoesterd, een kleine groep mensen vindt hem geniaal. 'Er is een enorm verschil tussen dat wat het product is van leren en dat wat opwelt uit eigen, creatieve beweging, gestimuleerd door dat leren', merkte de Granadijnse componist De Falla ooit op over zijn jonge vriend Lorca. Het bijzondere van Daniëls' werk is dat het 'die eigen creatieve beweging' zo transparant maakt. Het is trefzeker, eenvoudig, vanzelfsprekend, helder. En dat terwijl schilderen bestaat uit het nemen van duizenden beslissingen, een waar doolhof van beslissingen, die elk weer in een andere richting kunnen wijzen. Bij de meeste schilderijen is dat werkproces niet meer naspeurbaar; het schilderij is af, gaaf, compleet.

Behalve dan als een schilderij pentimento heeft, een technisch mankement waarbij de onderschilderingen 'doorbloeden' in de bovenste laag olieverf. Zo kan het gebeuren dat een geportretteerde uiteindelijk twee hoofden krijgt, omdat de schilder zijn compositie tijdens het werken sterk gewijzigd heeft. Daniëls hanteert een omgekeerd, bewust gekozen pentimento, waarbij alle lagen van het schilderij zichtbaar blijven. Je kunt er een orde in ontdekken, betekenis, maar die mogelijke orde is niet eenduidig, niet opgelegd. De chaos waaruit ze is ontstaan blijft ook zichtbaar. Daniëls zelf zei er ooit over 'ik probeer de balans te begrijpen van de werkelijkheid waarin hele aardse en verheven zaken voortdurend in elkaar grijpen'. Dat zou evengoed een perfecte samenvatting van Lorca's opvattingen kunnen zijn. Hij beschreef het in een brief zo: 'Het leven is lachen te midden van een rozenkrans van doden; het is achter de brallende man kijken naar de liefde in de harten van de mensen. (-) Het is nergens vandaan komen en nergens zijn en overal zijn, met tal van angsten die je omringen.'

Eenvoud of verhevenheid; Lorca's zinnen lijken altijd in brand te staan. Zelfs zo'n nietig ding als een tamboerijn (in Het publiek) weert zich ferm, in discussie met zijn geliefde, een koppig stuk wijnloof: 'Breng me dan naar het bad en verdrink me daarin. Dat wordt je enige kans om me naakt te zien. Dacht je dat ik bang ben voor bloed? Ik weet hoe ik je klein kan krijgen. Of niet soms? Je zo sterk domineren dat ik maar hoef te vragen 'Als ik me verander in een maanvis?' of je antwoordt 'Dan verander ik me in vissekuit.' ' Waarop het wijnloof gloeiend antwoordt 'Pak een bijl en hak mijn benen af. En laat het ongedierte uit de ruïne maar op me af komen, want ik veracht je. Ik wou dat je diep in mijn hart kon kijken: ik spuug op je.'

Cabaratesk

Over René Daniëls wordt altijd gezegd dat zijn werk zo literair is. In de catalogus die bij de tentoonstelling in het Van Abbemuseum is verschenen is daar ook weer verschrikkelijk diep over gedaan. De meeste artikelen vormen trouwens samen een woordenwoestijn. Daniëls zelf had het niet zo op kunsthistorici, hij vond dat ze met hun verklaringen zijn werk te veel vastpinden. Wat mij betreft is de toepassing van taal in Daniëls' werk eerder cabaretesk te noemen dan literair, uit op lichtvoetig, maar scherpgerand vermaak, gezien titels als De geniale zones en Palais des Boosaards.

Boeiender vind ik het hoe Daniëls met de serie 'mooie tentoonstellingen', waarin vlinderstrikjes zich laten omtoveren tot tentoonstellingsruimtes, vooruit lijkt te lopen op de verschuivende belangstelling in de jaren negentig van het kunstwerk naar de tentoonstelling zelf. Maar zoals altijd speelt het werk met betekenissen, worden metaforen ontward en met evengroot gemak weer verdubbeld. Vlinderstrikjes zijn afgeleid van echte vlinders en schilderijen zijn evengoed opgeprikte trofeeën aan de wand als vlinders en wat dan te denken van een man die zich opgeprikt voelt in smoking plus vlinderdasje? Zou hij er niet naar verlangen weg te vliegen? Nog een tegenstelling: in Daniëls' vlindervoorstellingen zijn de 'mooie beelden', de tut-schilderijenvoor-boven-de-bank, gereduceerd tot saaie vlakjes, maar het schilderij zelf ontloopt de schoonheid niet.

Want Daniëls schildert met een lef dat zelden geëvenaard wordt. Rob Birza heeft het ook, Marlene Dumas soms. Elke kwaststreek treft doel. De kwast van de schilder verteert zijn verlangens. 'Maak een plan van je hartsverlangen en leef in overeenstemming met dat plan, altijd naar een norm van schoonheid', schreef Lorca in een brief. Vlinders fladderen ook door diens werk en leven. Hij schreef een toneelstuk dat De betovering van de vlinder heet, over een kakkerlak die wanhopig verliefd is op een vlinder. In een ode aan Salvador Dalí slaan de vlinderverzamelaars op de vlucht. In een ander gedicht verdrinkt een vlinder in een inktpot. Federico krijgt op een keer een kastje met opgeprikte vlinders cadeau. En een paar uur voordat de Conte Grande, de boot waarmee hij in 1929 naar Argentinië reist in Rio de Janeiro aankomt, duiken aan boord witte vlindertjes op.

Bloedvaten

In de artikelen die ik de laatste maanden over Daniëls werk gelezen heb komt steeds naar voren - zij het omgeven met intellectuele reserve - dat Daniëls zijn ziekte in zijn werk voorspeld zou hebben. In 1987, vlak voor zijn hersenbloeding, schilderde hij namelijk een werk uit de serie 'mooie tentoonstellingen' waarbij de voorstelling van een binnenruimte bijna geheel weggeschilderd is met zwarte verf. Hoe de bloedvaten in zijn hoofd deze voorspelling zo vlot wisten uit te voeren is onbekend. Over Lorca wordt in de biografie van Ian Gibson beweerd dat hij zijn dood voorvoelde, ondermeer door een keer in een roeibootje op een woelige rivier een enorme paniekaanval te krijgen. Ook schrijft Gibson: 'Het is vrijwel onmogelijk voorbij te gaan aan het feit dat Lorca precies vijf jaar na de voltooiing van een toneelstuk met de titel Na verloop van vijf jaar zelf de dood vond.' Bijgeloof op z'n geschiftst, dat is het.

Weinig dingen blijken voor mensen zo vreeswekkend als te moeten aanvaarden dat ziekte en dood toeval kunnen zijn, of stomme pech. Dat het verhaal niet altijd rondgemaakt kan worden, of hun eigen angst voor misère niet kan worden bezworen. Liever nog stulpen ze hun verstand binnenstebuiten, alsof ze een inktvis schoonmaken, om een verklaring te vinden. 'Alleen mysterie stelt ons in staat te leven, alleen mysterie', schreef Lorca onder een van zijn tekeningen.

Lorca, die in Granada wel neerbuigend 'die flikker met dat vlinderdasje' genoemd werd, stierf voor een vuurpeloton van Franco-aanhangers, achtendertig jaar oud. Een van zijn moordenaars schepte er later over op dat hij Lorca vanwege zijn homoseksualiteit voor hij stierf 'eerst nog tweemaal in zijn reet geschoten had'. In de officiële verklaring, die pas in 1940 werd uitgegeven, heette het dat Federico García Lorca in augustus 1936 aan oorlogswonden gestorven was.

René Daniëls heeft zijn hersenbloedingen overleefd. Al kan hij nauwelijks praten en moeilijk voor zichzelf zorgen, hij tekent wel weer. Over die nieuwe tekeningen is een controverse ontstaan. Ze zijn op een expositie te zien geweest maar worden op de tentoonstelling in Eindhoven niet getoond. Volgens de directeur van het Van Abbemuseum voegt het nieuwe werk niets toe aan het oeuvre.

Het is alsof hij Daniëls' oeuvre eigenhandig afgesloten verklaart en René zelf tot zombie. Palais des Beaux-Arts/Palais des Boosaards... een gave voorspelling van Daniëls? Je zou ook kunnen zeggen (met de weinige intellectuele reserve die ik bezit) dat hij genaaid wordt waar hij bijstaat.

Wel, niet, wel.