Zwitserse banken kopen hun dubieuze oorlogsgedrag af

Zwitserland is drie jaar lang beschuldigd van wangedrag tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met 2,5 miljard gulden hopen de banken de critici in de toekomst de mond te snoeren.

ROTTERDAM, 13 AUG. Met het akkoord tussen de Zwitserse banken en organisaties van Holocaust-slachtoffers en hun nabestaanden over de betaling van 'compensatie' voor het gedrag van de banken in de Tweede Wereldoorlog, lijkt voorlopig een einde te komen aan een kat-en-muisspel dat nu al drie jaar duurt.

Joodse organisaties, onder aanvoering van het Joods Wereldcongres (JWC), kwamen steeds weer met nieuwe 'bewijzen' voor het Zwitserse wangedrag. Het begon met de vraag waar het geld was gebleven dat joden tijdens de oorlog in veiligheid brachten op Zwitserse rekeningen die daarna nooit meer werden opgeëist - omdat de eigenaar in een concentratiekamp was overleden, achter het IJzeren Gordijn was verdwenen, of omdat erfgenamen onvoldoende gegevens hadden over de vaak anonieme rekening.

Iedereen mocht zijn zaak bij de banken aanhangig maken, zeiden de banken, waarna per geval in de archieven zou worden gespit. Met deze strikt formele reactie op de aanklachten, riepen de Zwitsers de ellende zelf over zich af. Het speurwerk leverde bovendien zelden iets op. De woede over zoveel arrogantie werd nog eens aangewakkerd toen Zwitserland, in het nauw gedreven door steeds nieuwe beschuldigingen, de tegenpartij van “chantage” ging beschuldigen. Alsof niet de Zwitsers zelf, maar de joodse organisaties onrechtvaardig waren.

Met een succesvolle mediacampagne wist het JWC, gesteund door de Amerikaanse Republikeinse senator Alfonse D'Amato, het deksel van de Zwitserse beerput telkens een klein stukje verder te openen. Keer op keer doken uit archieven documenten op die - zeker als ze uit hun context werden gelicht - Zwitserland afschilderden als een collaborerende staat. Het Alpenland verloor zijn internationale onschuld.

Ook oude, door Zwitserse en andere historici al lang beschreven feiten werden opgerakeld en als nieuw gepresenteerd. Bijvoorbeeld dat de Zwitserse vluchtelingenpolitiek in de oorlog racistische trekjes vertoonde en vooral ook dat de Zwitserse banken het goud verhandelden waarmee de nazi's hun oorlogsindustrie betaalden. Het was waar, maar niet nieuw. Andere verhalen, zoals over Zwitserse 'werkkampen' voor vluchtelingen die nauwelijks onderdeden voor nazi-kampen, bleken op zijn minst sterk overdreven.

Ook de bedragen op de slapende rekeningen stegen tot fabelachtige hoogte. Het JWC becijferde (zonder precies te zeggen op grond waarvan) dat het om ruim zeven miljard dollar moest gaan. Edward Fagan, de advocaat die namens de gezamenlijke joodse slachtoffers een class-action tegen de banken wilde beginnen, kwam zelfs met een claim van 20 miljard dollar.

Uiteindelijk kon Zwitserland zijn ogen niet langer sluiten voor de publieke opinie. Aarzelend ging de regering akkoord met een onderzoek door een onafhankelijke commissie van historici. Ook werd een internationale commissie ingesteld die - tegen de idee van het bankgeheim in - mocht grasduinen in de bankarchieven. Banken en industrie kwamen bovendien aarzelend met een miljoenenfonds over de brug. Verder zal uit de verkoop van een deel van de Zwitserse goudvoorraad nog eens een solidariteitsfonds van zeven miljard frank (9,1 miljard gulden) worden ingesteld, waarvan ook een deel bedoeld is voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

Daarmee hadden de Zwitsers, vonden ze, aan hun verplichtingen voldaan. Maar het JWC dacht daar anders over. Zwitserland diende alles wat het op een oneerlijke manier had verkregen “tot de laatste cent” terug te betalen. Met steun van senator D'Amato dreigden Amerikaanse staten Zwitserse banken, die veel geld verdienen aan het beheer van pensioenfondsen en aan handel in onroerend goed, officieel te boycotten. Dat de federale Amerikaanse regering de ruzie met Zwitserland probeerde te sussen, hielp niet. Amerikaanse staten hebben in deze een eigen beslissingsbevoegdheid en besloten de druk op de ketel te houden met het dreigement van een boycot.

De drie grootste Zwitserse banken gingen, tegen de wens van hun regering in, gisteren overstag en zijn tot een akkoord gekomen, waarbij in drie jaar 2,5 miljard gulden beschikbaar wordt gesteld aan joodse Holocaust-slachtoffers.

Dat de kous daarmee nog niet af is, zal de banken een zorg zijn. Zij kunnen ten minste weer gewoon hun werk doen in een stad als New York en de staat Californië. In Zwitserland zelf zal het akkoord ongetwijfeld worden uitgelegd als het afkopen van onterechte aantijgingen, onder druk van chantage.

De conservatieve Neue Zürcher Zeitung waarschuwde gisteren voor antisemitisme. De Zwitserse joden hebben zich volgens de krant juist goede vaderlanders betoont, omdat zij de banken onlangs nog opriepen niet op de chantage in te gaan.

De krant nam ook alvast een voorschot op de betekenis van een akkoord: de commissie van historici hoeft zich niet meer zo te haasten en over dat geplande solidariteitsfonds van zeven miljard frank moet nog maar eens goed worden nagedacht, evenals over de relatie met de “tot voor kort nog nauw bevriende” Verenigde Staten.

    • Paul Luttikhuis