Trou moet blijcken

Hans Lodeizen (1924-1950)

je hebt me alleen gelaten

maar ik heb het je al vergeven

want ik weet dat je nog ergens bent

vannacht nog, toen ik door de stad

dwaalde, zag ik je silhouet in het glas

van een badkamer

en gisteren hoorde ik je in het bos lachen

zie je, ik weet dat je er nog bent

laatst reed je me voorbij met vier

andere mensen in een oude auto

en ofschoon jij de enige was die

niet omkeek, wist ik toch dat jij

de enige was die mij herkende de enige

die zon der mij niet kan leven

en ik heb geglimlacht

ik was zeker dat je me niet verlaten zou

morgen misschien zul je terugkomen

of anders overmorgen of wie weet wel nooit

maar je kunt me niet verlaten

Als je jong bent en verliefd en nog rijkelijk naïef - dan raakt Lodeizen bij je een gevoelige snaar. Uit dit gedicht valt wel te begrijpen waarom. Vóór alles is het verfrissend simpel van taalgebruik. Er komt geen gekunsteldheid of artistieke beeldspraak aan te pas. Het is in 1949 geschreven, een jaar voor Lodeizens dood, maar het geurt nergens naar een bepaald jaar of een bepaalde periode. Het woordje 'ofschoon' is het enige dat er een beetje uitspringt en ietwat dichterlijk aandoet. Verder is het een merkwaardig tijdloos en ondateerbaar gedicht. Tijdloos als pubergevoelens.

Het draait - nét als wanneer je jong bent en verliefd - allemaal om het eigen ik en de eigen superioriteit -

maar ik heb het je al vergeven

- staat er, boem, al in regel twee. Een breed gebaar. Niet uit grootmoedigheid, niet uit levenservaring, niet als een moreel gebod, maar gewoon omdat de 'ik' weet dat hij niet alleen gelaten is. Omdat hij denkt dat niemand hem alleen kan laten. Al kijkt de ander niet naar hem om, hij veronderstelt dat zijn macht en magie in die ander aanwezig zijn - en ik heb geglimlacht

- je zou die jongen een draai om zijn oren geven. En ook weer niet. Het is het superieure glimlachje van de jongen die zijn onzekerheid maskeert door er geen moment aan te twijfelen dat hij het middelpunt is van het heelal, en dus van ieders belangstelling. Niet voor niets kijken van de vijf inzittenden in de auto er vier wel naar hem om, al kennen ze hem niet. En vanzelf kijkt degene die niet naar hem omkijkt het meest naar hem om. Zo zit een verliefde puber in elkaar. Ook als hij niet verliefd is, is hij solipsist genoeg om in dit gedicht zijn levenshouding verwoord te zien. En ik heb geglimlacht... Voor hem had het gedicht kunnen eindigen met die regel. Iedereen die jong is en rijkelijk gezegend met zelfingenomenheid had de slotconclusie -

maar je kunt me niet verlaten

- er zelf bij kunnen bedenken. Wat is de liefde zoet en vol illusies, als je er pas aan begint. Wat een goddelijke etter kan iemand zijn. Lodeizen is de lijfdichter van de wrede engelen.

Is het ook een goed gedicht? Het is een perfect gedicht. Behalve dat het ongekunsteld en ongedateerd klinkt kent het ook geen enkele afleidingsmanoeuvre, geen enkele zijsprong, geen enkel vuiltje. Het ontwikkelt zijn idee zonder bijgedachten en zonder versieringen. Er staan geen typisch dichterlijke uitdrukkingen in - niet eens adjectieven. Op de oude auto na dan. Zou een trouweloos iemand, nota bene in gezelschap van vier andere mensen, ooit een gloednieuwe auto berijden?

Het adjectief staat er haast noodgedwongen. Ook verder is er niet één woord dat je zou kunnen schrappen of elders neerzetten. De verliefde puber viel het misschien niet op, maar wat er na en ik heb geglimlacht komt is méér dan een variatie op het voorafgaande. Voor de goede verstaander was na de regels

en ofschoon jij de enige was die niet omkeek, wist ik toch dat jij de enige was die mij herkende de enige de wanhoop al ingetreden, louter door de drievoudige herhaling van de enige. Eerst is er nog die zelfverzekerde glimlach: ik was zeker dat je me niet verlaten zou. Je komt morgen wel weer terug -

of anders overmorgen of wie weet wel nooit

- weer een flits van wanhoop. Blijkt nu uit de slotregel

maar je kunt me niet verlaten

nog steeds de oude - sorry, jonge - zelfverzekerdheid of spreekt de dichter, na flitsen van wanhoop, zich hier moed in? Is de glimlach bevroren?

Staat er: 'maar jij bent niet in staat iemand als ik te verlaten'? Of staat er: 'maar je kunt me toch niet echt verlaten'? Gaat het om een serene zekerheid of een plotseling inzicht? Is de arrogantie omgeslagen in verbijstering?

Een ongecompliceerd gedicht is nooit perfect als het ongecompliceerd blijft. Eenvoud die geen vragen oproept is eenvoud die niet poëziebestendig is. Er is meer in dit gedicht dat intrigeert. Driemaal wordt de afwezige waargenomen. Vannacht nog, gisteren, laatst. In de stad, in het bos, onderweg. Als silhouet, onzichtbaar, op de rug. Wat hebben die drie situaties gemeen? Het aantal mensen in de auto wordt ons voorgerekend en om te lachen in een bos heb je ook gezelschap nodig. Hoe alleen is iemand die diep in de nacht in een badkamer in de weer is? Wat blijft in dit gedicht onuitgesproken? Wat wordt ons innerlijk oog geacht te zien?